ECLI:NL:GHARL:2020:2666

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 april 2020
Publicatiedatum
1 april 2020
Zaaknummer
Wahv 200.204.754/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 WahvArt. 13 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beslissing officier van justitie en inleidende beschikking roodlichtovertreding

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen een beslissing van de kantonrechter inzake een administratieve sanctie voor het niet stoppen voor rood licht. De gemachtigde voerde aan dat de beslissing van de kantonrechter niet rechtsgeldig was omdat het proces-verbaal niet door de behandelend kantonrechter was ondertekend. Het hof stelde vast dat dit inderdaad niet correct was en vernietigde daarom de beslissing van de kantonrechter.

Vervolgens werd het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordeeld. De gemachtigde stelde dat de hoorplicht was geschonden doordat de betrokkene niet was gehoord. Het hof oordeelde dat de officier van justitie ten onrechte van het horen was afgezien en verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de beslissing van de officier van justitie.

Ten slotte beoordeelde het hof het beroep tegen de inleidende beschikking waarin een administratieve sanctie van €230,- was opgelegd voor het negeren van een rood verkeerslicht. De betrokkene voerde onder meer aan dat de gegevens summier waren en dat uit de foto’s bleek dat hij weliswaar de stopstreep was gepasseerd maar niet het rode licht. Het hof oordeelde dat de gegevens voldoende waren en dat uit de foto’s bleek dat het voertuig het rode licht was gepasseerd. Het beroep tegen de inleidende beschikking werd daarom ongegrond verklaard.

Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen. Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda en uitgesproken op een openbare zitting.

Uitkomst: De beslissing van de kantonrechter en de officier van justitie worden vernietigd, het beroep tegen de inleidende beschikking wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.204.754/01
CJIB-nummer
: 192307662
Uitspraak d.d.
: 1 april 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 3 november 2016, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.M.C. Niederer, kantoorhoudende te Helmond.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 124,-.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 1 augustus 2017, 10 oktober 2017 en 23 januari 2018 is nog een schrijven van de gemachtigde ontvangen. Een afschrift daarvan is aan de advocaat-generaal gezonden. Op 16 juli 2018 is ook nog een schrijven van de gemachtigde ontvangen.

De beoordeling

1. De gemachtigde voert aan dat de beslissing van de kantonrechter moet worden vernietigd omdat deze niet is ondertekend door de behandelend kantonrechter, mr. T.S. Pieters. De uitspraak is “b.a.” ondertekend door iemand anders. Ter onderbouwing heeft de gemachtigde twee andere door mr. Pieters ondertekende uitspraken overgelegd.
2. Het hof stelt vast dat in het proces-verbaal van de zitting van 3 november 2016, tevens houdende beslissing op het beroep, staat dat mr. T.S. Pieters, kantonrechter, het beroep heeft behandeld en de beslissing ter openbare zitting heeft uitgesproken. Zoals de gemachtigde terecht stelt, is het proces-verbaal door een ander ondertekend dan de kantonrechter die de zaak ter zitting heeft behandeld. Dit is niet juist. De kantonrechter die de zaak ter zitting heeft behandeld dient het proces-verbaal te ondertekenen. Indien deze daartoe buiten staat is, dient dit in het proces-verbaal te worden opgenomen. Een dergelijke vermelding ontbreekt. Van een deugdelijk proces-verbaal in de zin van artikel 13, tweede en derde lid van de Wahv juncto artikel 12 van Pro de Wahv is geen sprake.
3. Het voorgaande brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven. Het hof zal deze beslissing dan ook vernietigen. De overige bezwaren tegen die beslissing hoeven nu niet meer te worden besproken. Ter beoordeling staat thans het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie.
4. De gemachtigde heeft onder meer aangevoerd dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden.
5. Het hof stelt vast dat het verzoek om te worden gehoord in administratief beroep op juiste wijze is gedaan. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat andere redenen daartoe ontbreken, heeft de officier van justitie ten onrechte van het horen afgezien. Dit brengt mee dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond wordt verklaard en dat die beslissing wordt vernietigd. De overige bezwaren tegen die beslissing behoeven nu geen bespreking meer.
6. Vervolgens zal het hof overgaan tot de beoordeling van het beroep tegen de inleidende beschikking, waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een administratieve sanctie is opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht.” Deze gedraging zou zijn verricht op 13 september 2015 om 19:18 uur op de N206, Churchillaan/Brandts Buyskade in Leiden met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .
7. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de inleidende beschikking moet worden vernietigd. Daartoe wordt het volgende aangevoerd. De gegevens in de inleidende beschikking zijn zodanig summier dat voor de betrokkene de inleidende beschikking niet in voldoende mate individualiseerbaar is. Uit de overgelegde foto’s volgt dat de betrokkene weliswaar de stopstreep voorbij was gereden maar niet ook het rode licht. Betrokkene stond stil op het zebrapad. Het oplichten van de remlichten is op de foto’s nog te zien. De verweten gedraging is niet begaan nu het niet verboden is om een stopstreep voorbij te gaan. Ook de relevante informatie met betrekking tot de ijking ontbreekt. De gemachtigde licht dat toe. Verder is nergens een ijking terug te vinden met betrekking tot de roodlichtdetectie. Ook is de aankondiging van beschikking dan wel het proces-verbaal dat ten grondslag ligt aan de opgelegde sanctie niet ondertekend.
8. Geen van deze verweren treft doel. Zowel het zaakoverzicht als de foto’s van de gedraging vermelden dat de gedraging is geconstateerd op de N206, Churchillaan/Brandts Buyskade in Leiden. Gelet daarop bestaat er geen aanleiding om aan te nemen dat de plaatsaanduiding zo ruim is dat bij de betrokkene misverstand kan zijn ontstaan omtrent de gedraging waarvoor de sanctie is opgelegd. De gemachtigde heeft ook geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan volgen dat dit misverstand wel is ontstaan of heeft kunnen ontstaan.
9. De Wahv stelt niet de eis dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve sanctie een ondertekend proces-verbaal van een opsporingsambtenaar ten grondslag ligt. De vaststelling dat een gedraging is verricht kan ook worden gebaseerd op andere gegevens.
10. Het zaakoverzicht houdt – onder meer – het volgende in:
“De overtreding is geautomatiseerd met roodlichtapparatuur met twee foto’s digitaal/fotografisch vastgelegd.
Foto 1: het betreffende voertuig activeert de radardetectie of de lus achter de stopstreep van het rode verkeerslicht. Op het moment van constatering brandde het rode licht reeds 0,7 seconden.
Foto 2: circa een seconde later. Op foto 2 is duidelijk te zien dat het voertuig verder is gereden.”
11. In het dossier bevinden zich twee foto's van de gedraging. Op beide foto's is te zien dat het voor de bestuurder van de auto van de betrokkene bestemde verkeerslicht rood licht uitstraalt. Anders dan de gemachtigde stelt, is op de tweede foto te zien dat het voertuig het verkeerslicht net is gepasseerd. Op de foto’s is op de plaats waar de auto zich bevindt geen zebrapad te zien. Evenmin is te zien dat de remlichten van de auto van de betrokkene in werking zijn.
12. In een zaak als deze, waarin de roodlichtgedraging op basis van de foto’s kan worden vastgesteld en de snelheid van het voertuig niet relevant is, kunnen de bezwaren die de gemachtigde heeft aangevoerd met betrekking tot de ijking van de gebruikte apparatuur buiten beschouwing blijven. Voor het gebruik van meetmiddelen die worden gebruikt voor het constateren van roodlichtgedragingen vereist de Regeling meetmiddelen politie noch enige andere regeling een verklaring van onderzoek afgegeven door het Nederlands Meetinstituut NMi vereist.
13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is.
14. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt deze;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.