ECLI:NL:GHARL:2020:2729

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 april 2020
Publicatiedatum
2 april 2020
Zaaknummer
200.275.695/01 en 200.275.846/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 87 FwArt. 105a FwArt. 5 EVRMArt. 587 RvArt. 351 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking inbewaringstelling gefailleerde wegens onvoldoende gronden

In deze zaak stond de inbewaringstelling van een gefailleerde centraal, die zich hinderlijk zou hebben gedragen tijdens het verkoopproces van haar woning die tot de faillissementsboedel behoort. De rechtbank had de inbewaringstelling bevolen wegens het niet naleven van wettelijke verplichtingen door de gefailleerde.

De gefailleerde stelde zich op het standpunt dat zij niet de verkoop frustreerde en dat zij vanwege de coronacrisis en haar risicogroepstatus niet gedwongen mocht worden haar woning te verlaten. Het hof nam kennis van de feiten dat zij aanvankelijk niet meewerkte, maar uiteindelijk onder politiebegeleiding de woning heeft verlaten en medewerking verleende aan bezichtigingen.

Het hof oordeelde dat hoewel hinderlijk gedrag aannemelijk was, de curator niet had onderzocht of minder ingrijpende maatregelen dan inbewaringstelling mogelijk waren. Ook was onvoldoende gebleken dat er op korte termijn nieuwe bezichtigingen gepland waren die gijzeling rechtvaardigen.

Daarom vernietigde het hof de beschikkingen tot inbewaringstelling en veroordeelde de curator in de proceskosten. Het belang van de boedelafwikkeling werd achtergesteld bij het grondrecht op persoonlijke vrijheid van de gefailleerde onder de gegeven omstandigheden.

Uitkomst: Beschikkingen tot inbewaringstelling van gefailleerde worden vernietigd wegens onvoldoende gronden en ontbreken van onderzoek naar minder ingrijpende maatregelen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer 200.275.695/01 en 200.275.846/01
(zaaknummer rechtbank C/18/18/83 F)
beschikking van 2 april 2020
inzake
[appellante] ,
wonende te [A] ,
appellante,
hierna te noemen:
[appellante],
advocaat: mr. H. Loonstein, kantoorhoudende te Amsterdam.
Als belanghebbende is aangemerkt:
mr. G.W. Breuker q.q., curator in het faillissement van [appellante],
hierna te noemen: de curator.

1.Het geding in eerste aanleg

1.1
Bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 22 mei 2018 is het faillissement van [appellante] uitgesproken. Tot curator is aangesteld mr. G.W. Breuker.
1.2
Op 12 december 2019 heeft een verhoor plaatsgevonden van [appellante] door de rechter-commissaris.
1.3
De rechter-commissaris heeft [appellante] in een brief van 7 januari 2020 en van 14 januari 2020 geschreven dat [appellante] haar volledige medewerking moet verlenen aan de curator bij het beheer en de vereffening van de boedel, waartoe ook haar woning behoort. Indien zij dat niet doet, kan een voordracht tot inbewaringstelling volgen.
1.4
Op 19 februari 2020 is [appellante] nogmaals verhoord door de rechter-commissaris.
1.5
Op 20 februari 2020 heeft de rechter-commissaris aan de rechtbank voorgedragen om [appellante] in verzekerde bewaring te stellen en dit in een brief van dezelfde datum aan [appellante] bevestigd.
1.6
Bij beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van eveneens
20 februari 2020 is bevolen dat [appellante] in verzekerde bewaring zal worden gesteld voor een periode van hooguit dertig dagen, behoudens verlenging.
1.7
Op 13 maart 2020 is [appellante] in bewaring gesteld. [appellante] heeft diezelfde dag hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikking en is ook diezelfde dag weer in vrijheid gesteld.
1.8
Op 16 maart 2020 heeft de rechter-commissaris opnieuw een voordracht gedaan [appellante] in bewaring te stellen.
1.9
Bij beschikking van 17 maart 2020 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, bevolen dat [appellante] in verzekerde bewaring zal worden gesteld voor een periode van hooguit dertig dagen, behoudens verlenging. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie van het hof op 13 maart 2020, heeft [appellante] verzocht de beschikking van 20 februari 2020 te vernietigen. Bij aanvullend beroepschrift, binnengekomen op 19 maart 2020, heeft zij verzocht de beschikking van
17 maart 2020 te vernietigen en de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van deze beschikking te schorsen ex artikel 351 Rv Pro.
2.2
Het hof heeft kennisgenomen van beide verzoekschriften en de overige stukken, waaronder de brief met bijlagen van 19 maart 2020, een faxbericht van 23 maart 2020 en
25 maart 2020, alle van mr. Loonstein. Van de curator is een brief met bijlagen van 23 maart 2020 ontvangen.
2.3
Na overleg daarover heeft mr. Loonstein namens [appellante] afgezien van het recht op mondelinge behandeling. De curator heeft daarmee ingestemd. Mr. Loonstein heeft conform afspraak het hof zijn spreekaantekeningen van 25 maart 2020 toegezonden. De curator heeft hier bij schrijven van 26 maart 2020 op gereageerd. Mr. Loonstein heeft op 26 maart 2020 schriftelijk gerepliceerd.
2.4
Het hof zal de twee afzonderlijke beroepsschriften gericht tegen twee afzonderlijke beschikkingen, gezien de verwevenheid daarvan behandelen als één zaak en op beide hoger beroepen beslissen in deze beschikking. Daar waar [appellante] haar beroepschrift van 19 maart 2020 aanduid als een ‘aanvullend’ beroepschrift vat het hof dat op als een afzonderlijk beroep. Het hof zal echter de in beide beroepschriften gebezigde beroepsgronden gezien de verwevenheid van de procedures betrekken in beide hoger beroepen, zodat [appellante] van deze inrichting van de procedure geen nadeel ondervind.

3.De beoordeling

3.1
De rechtbank heeft in haar beschikkingen van 20 februari 2020 en 17 maart 2020
- kort gezegd - geoordeeld dat [appellante] het verkoopproces van haar woning aan de [a-straat 1] te [B] frustreert, dan wel dat zij daaraan niet de medewerking verleent die van haar mag worden verwacht. Hiermee voldoet [appellante] niet aan de op haar rustende verplichtingen op grond van artikel 105a Fw. De rechtbank heeft om die reden de inbewaringstelling van [appellante] bevolen.
3.2
[appellante] kan zich met deze beschikkingen van de rechtbank niet verenigen en heeft deze op meerdere formele en materiele gronden bestreden. Onder meer heeft zij betwist dat zij de verkoop van de woning frustreert door onvoldoende medewerking en dat zij niet mag worden gedwongen haar woning te verlaten vanwege de Coronacrisis en de in dat verband door de overheid gegeven richtlijnen. [appellante] wijst er daarbij op dat zij behoort tot een risicogroep.
3.3
De curator heeft de beroepsgronden weersproken en heeft één incidentele grief tegen de beschikking van 20 februari 2020 opgeworpen, inhoudende dat de rechtbank deze beschikking ten onrechte niet uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. Het hof zal de grieven van [appellante] en de curator gezamenlijk beoordelen.
3.5
Op grond van artikel 87 Fw Pro strekt de in verzekerde bewaringstelling ertoe een dwangmiddel te bieden ingeval (gegronde vrees bestaat dat) de gefailleerde de wettelijke verplichtingen die de wet hem in verband met zijn faillissement oplegt, niet nakomt. Het niet-naleven van door de wet voorgeschreven verplichtingen is krachtens artikel 5 lid 1 sub b EVRM Pro een rechtvaardigingsgrond voor detentie. Het hof dient, mede in verband met het bepaalde in artikel 587 Rv Pro (met daarin besloten de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit) en artikel 5 EVRM Pro, te onderzoeken of er op basis van de huidige stand van zaken gronden aanwezig zijn die de inbewaringstelling, en daarmee een inbreuk op de persoonlijke vrijheid van [appellante] , rechtvaardigen. Daarbij moet het hof het recht van [appellante] op persoonlijke vrijheid afwegen tegen het door de inbewaringstelling gediende belangen van een adequate boedelafwikkeling.
3.6
Het hof neemt bij die afweging het volgende in aanmerking. De curator heeft [appellante] in juni 2018 te kennen gegeven dat haar woning tot de boedel behoort en verkocht dient te worden. [appellante] verzet zich hiertegen en heeft het verkoopproces gefrustreerd. Zij heeft langere tijd niet willen meewerken aan het nemen van foto's van de woning en aan de geplande bezichtigingen. Op 27 februari 2020 zijn er (uiteindelijk) foto's van de woning genomen en de week daarna is advertentie waarmee de woning te koop is aangeboden op Funda geplaatst. Op 12 en 13 maart 2020 stonden er bezichtigingen gepland. [appellante] heeft voor deze bezichtigingen - na veel gesteggel - de sleutel van de woning aan de curator afgegeven en heeft de woning onder druk van de politie verlaten. Op 17 maart 2020 heeft de rechtbank wederom de inbewaringstelling van [appellante] bevolen. Op 20 maart 2020 stonden er weer bezichtigingen gepland.
3.7
Hoewel voor het hof voldoende aannemelijk is dat [appellante] zich bij de verkoop van de woning hinderlijk heeft gedragen, heeft zij uiteindelijk en onder druk toegestaan dat er foto’s van de woning zijn gemaakt en de woning bezichtigt is. Van verder hinderlijk gedrag door [appellante] is niet gebleken. Ook is gesteld noch gebleken dat er na 20 maart 2020 nieuwe bezichtigingen zijn gepland.
3.8
De curator heeft niet, althans hij maakt daarvan geen melding, onderzocht of minder vergaande mogelijkheden dan inbewaringstelling mogelijk zijn. Verwijdering van [appellante] uit de woning op momenten dat dit nodig is en zij geen medewerking verleent, laat zich immers ook denken door andere middelen dan het vergaande middel van gijzeling. Waarbij met name aan procedure bij de voorlopige voorzieningenrechter gedacht kan worden. Deze kan dan ook beter dan het hof in deze gijzelingszaak op voorhand moet doen, de op dat moment bestaande omstandigheden en overige belangen afwegen.
3.9.
Dat [appellante] zich in de toekomst opnieuw hinderlijk zal gedragen is niet uitgesloten maar is door de curator slechts onderbouwd de verwijzing naar het verloop tot 20 maart 2020. Dat is voor het hof onvoldoende grond voor gijzeling zoals verwoord in de beschikking van
17 maart 2020. Daar komt bij dat gesteld noch gebleken is dat er op korte termijn nieuwe bezichtigingen zijn gepland en de gijzeling van [appellante] niet is gerechtvaardigd in afwachting van zich eventueel meldende kopers. Ook foto’s van de woning hoeven niet meer te worden gemaakt. Het aldus gegeven belang van de boedel moet daarom worden achtergesteld tegen het grondrechtelijk verankerde recht van [appellante] op vrijheid. Het hof is daarom van oordeel dat er op dit moment en onder de huidige omstandigheden onvoldoende gronden zijn om de inbewaringstelling van [appellante] te bevelen.
3.1
De beschikking van 17 maart 2020 zal worden vernietigd. De beschikking van
20 februari 2020 deelt in dat lot nu deze op dezelfde gronden is gegeven. De curator heeft daarmee geen belang meer bij het alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de eerste beschikking. Hetzelfde geldt voor [appellante] ten aanzien van haar verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van 17 maart 2020.
3.12
Het hof zal de curator - nu hij als belanghebbende is aan te merken die bovendien zelfstandig hoger beroep heeft ingesteld - als degene die in het ongelijk is gesteld in beide zaken veroordelen in de kosten van de procedure. Gezien de nauwe samenhang van de verweren en de gezamenlijke behandeling daarvan in beide zaken zullen de proceskosten in de zaak met nummer 200.275.695/01 op nihil worden gesteld.

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
vernietigt de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van
20 februari 2020 en 17 maart 2020;
in de zaak met zaaknummer 200.275.695
veroordeelt de curator in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellante] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op nihil en wat betreft het hoger beroep vastgesteld op nihil;
in de zaak met zaaknummer 200.275.846
veroordeelt de curator in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellante] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op nihil en wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 1.074,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
wijst af het anders of meer verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. van Rijssen, mr. J. Smit en mr. S.E. Vlaanderen-Schüttenhelm en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2020.