ECLI:NL:GHARL:2020:2745

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 april 2020
Publicatiedatum
3 april 2020
Zaaknummer
Wahv 200.208.736/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken machtiging leasemaatschappij

In deze zaak stond het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter centraal, die het beroep tegen een inleidende beschikking van de officier van justitie ongegrond had verklaard. De kern van het geschil betrof de vraag of de gemachtigde bevoegd was om namens de betrokkene, een leasemaatschappij, beroep in te stellen.

De advocaat van de betrokkene had een machtiging overgelegd waaruit bleek dat een derde gemachtigde de advocaat vertegenwoordigde, maar er ontbrak een machtiging van de leasemaatschappij zelf aan deze eerste gemachtigde. De officier van justitie had het beroep niet-ontvankelijk verklaard vanwege dit ontbreken, en de kantonrechter had dit bevestigd.

Het hof overwoog dat hoewel in eerdere jurisprudentie is bepaald dat een gemachtigde een beroepsmatig rechtsbijstandverlener kan inschakelen, dit niet geldt indien de eerste gemachtigde zelf niet door de betrokkene is gemachtigd. Omdat geen machtiging van de leasemaatschappij aan de eerste gemachtigde was overgelegd, was het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het hof wees ook het verzoek om proceskostenvergoeding af, omdat de inleidende beschikking niet werd vernietigd. Hiermee werd de beslissing van de kantonrechter bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het ontbreken van een machtiging van de leasemaatschappij.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.208.736/01
CJIB-nummer
: 196960987
Uitspraak d.d.
: 3 april 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Den Haag van 4 januari 2017, betreffende
mr. J.M.C. Niederer,
kantoorhoudende te Helmond,
optredende voor [A] ,
beweerdelijk optredende namens
[betrokkene] B.V.(hierna: de betrokkene),
gevestigd te [B] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

Mr. J.M.C. Niederer (hierna: Niederer) heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 16 juli 2018 is nog een brief van Niederer ontvangen.

De beoordeling

1. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard omdat geen machtiging is overgelegd waaruit blijkt dat Niederer gemachtigd is om namens de betrokkene beroep in te stellen. Dit verzuim is ook niet hersteld nadat daartoe de gelegenheid was geboden. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie het beroep tegen de inleidende beschikking terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. Niederer voert onder verwijzing naar het arrest van dit hof van 12 december 2014 (te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2014:9655) aan dat een vorm van ondermachtiging zoals in de voorliggende zaak, afdoende blijk geeft van bevoegdheid tot instellen van beroep. Niet valt in te zien waarom de officier van justitie heeft beslist zoals is gedaan en de beslissing van de kantonrechter is daarom evenmin juist.
3. Niederer wijst er terecht op dat het hof eerder heeft geoordeeld dat een gemachtigde zich niet op zijn beurt door een ander als gemachtigde kan laten vertegenwoordigen, wanneer de oorspronkelijke machtiging daarin niet voorziet, maar dat daarop een uitzondering wordt gemaakt wanneer de (eerste) gemachtigde een derde persoon inschakelt die, zoals Niederer, beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Hetgeen Niederer aanvoert, leidt echter niet tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter, gelet op het volgende.
4. De betrokkene betreft een leasemaatschappij. In het geval dat [A] (eerste) gemachtigde is van de betrokkene, kan zij een derde persoon inschakelen die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, zonder dat de machtiging van de betrokkene daarin voorziet. In het dossier bevindt zich echter in het geheel geen machtiging van [betrokkene] B.V. aan [A] . Niederer heeft enkel een machtiging toegestuurd waaruit volgt dat [A] Niederer machtigt om hem te vertegenwoordigen. Dit betekent dat de officier van justitie kon verzoeken om een schriftelijk bewijs van machtiging om vast te stellen of degene die zich als gemachtigde van de betrokkene aandient daartoe werkelijk bevoegd is. Uit het dossier volgt dat Niederer per brief van 8 juni 2016 in de gelegenheid is gesteld om een machtiging van degene aan wie de beschikking is gericht over te leggen. Niet blijkt dat Niederer aan dat verzoek heeft voldaan.
5. Gelet op het voorgaande heeft de officier van justitie het beroep tegen de inleidende beschikking op juiste gronden niet-ontvankelijk verklaard. De kantonrechter heeft het beroep tegen die beslissing daarom terecht ongegrond verklaard.
6. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.