Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak vordert appellant vergoeding van waterschade aan zijn badkamer, waarvan hij stelt dat deze is veroorzaakt door ondeugdelijk werk van geïntimeerde, de aannemer. De werkzaamheden vonden plaats in 2012, maar zes jaar later werd verrotting van de vloerbalken geconstateerd. Appellant stelde geïntimeerde aansprakelijk voor de kosten van herstel en vervanging.
Het hof constateert dat het niet met zekerheid kan worden vastgesteld of de verrotting het gevolg is van ondeugdelijk werk of al bestond vóór de werkzaamheden. Deskundigenrapporten geven geen eenduidige oorzaak aan en wijzen op meerdere mogelijke factoren, waaronder een slechte afdichting van de badkamer en reeds aanwezige verrotting.
Geïntimeerde voert aan dat de verrotting mogelijk al bestond en dat de vloer doorzakte als gevolg daarvan, wat ook blijkt uit de oorspronkelijke offerte. Het hof oordeelt dat er onvoldoende bewijs is om vast te stellen dat geïntimeerde tekort is geschoten.
Daarom wordt het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd, die de schadevergoeding had afgewezen wegens te late klacht en gebrek aan bewijs. Appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat de aannemer tekort is geschoten.