De betrokkene werd vertegenwoordigd door R. De Nekker, die beroep instelde tegen een beslissing van de officier van justitie. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk vanwege twijfel aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van De Nekker, omdat de handtekeningen op de machtigingen en het identiteitsbewijs sterk van elkaar verschilden.
De Nekker stelde dat een geldige machtiging en een kopie van het identiteitsbewijs aanwezig waren en dat er geen reden was om aan de volmacht te twijfelen. Het hof oordeelde echter dat de kantonrechter terecht om opheldering had gevraagd gezien de discrepanties in de handtekeningen. De Nekker kon geen duidelijke verklaring of aanvullende bewijs leveren.
Daarom bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter dat niet was komen vast te staan dat De Nekker gemachtigd was om namens de betrokkene op te treden. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen. Het arrest werd gewezen door mr. Van Schuijlenburg en uitgesproken in een openbare zitting.