De heffingsambtenaar van de gemeente Almere stelde de WOZ-waarde van een kantoorpand per waardepeildatum 1 januari 2016 vast op €743.000 en legde een aanslag OZB op. Belanghebbende betwistte deze waarde en de rechtbank stelde de waarde op €653.000, uitgaande van leegstand. De heffingsambtenaar ging in hoger beroep.
Het hof constateerde dat het pand sinds 2005 verhuurd was aan de horecabond van de gemeente, met een huurcontract van tien jaar en een optie tot verlenging van vijf jaar, welke optie is benut zonder nieuwe onderhandelingen. Hierdoor was de huursom rond de waardepeildatum gebaseerd op indexatie van de oorspronkelijke huur uit 2005, waardoor deze niet representatief is voor de marktwaarde.
De taxateur hanteerde een huurwaarde van €85 per m2, gebaseerd op vergelijkbare panden met recente huurcontracten, wat het hof aannemelijk achtte. De gehanteerde kapitalisatiefactor van 7,5 was echter onvoldoende onderbouwd, waardoor het hof deze niet overnam.
Het hof bepaalde de WOZ-waarde in goede justitie op €720.000, waarbij het hoger beroep van de heffingsambtenaar deels werd gehonoreerd. Belanghebbende kreeg een proceskostenvergoeding van €1.050 toegewezen voor het hoger beroep.