ECLI:NL:GHARL:2020:30

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 januari 2020
Publicatiedatum
3 januari 2020
Zaaknummer
Wahv 200.227.913/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 65 RVV 1990Art. 66 RVV 1990Art. 3 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging parkeerboete binnen parkeerverbodszone zonder parkeervak

De betrokkene kreeg een boete van €90 voor parkeren in strijd met een parkeerverbodszone in de binnenstad van Leiden. De kantonrechter vernietigde aanvankelijk de beslissing van de officier van justitie wegens vermeende schending van de hoorplicht, maar verklaarde het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Het hof stelde vast dat de kantonrechter ten onrechte de schending van de hoorplicht aannam, maar bevestigde dat de officier van justitie het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard vanwege overschrijding van de beroepstermijn. Uit het dossier en foto's bleek dat het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd binnen de parkeerverbodszone, maar niet op een duidelijk als parkeervak gemarkeerd weggedeelte.

Omdat parkeren op daartoe bestemde weggedeelten een uitzondering is, moet evident zijn dat een locatie daarvoor bestemd is, bijvoorbeeld door witte belijning of bestrating. Dit ontbrak op de plek waar de betrokkene parkeerde, waardoor het hof oordeelde dat de gedraging plaatsvond binnen de parkeerverbodszone en de boete terecht was opgelegd.

Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep af, met verbetering van gronden.

Uitkomst: De parkeerboete wordt bevestigd en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.227.913/01
CJIB-nummer
: 201421450
Uitspraak d.d.
: 3 januari 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 26 september 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Wel heeft de advocaat-generaal aanvullende informatie overgelegd. Deze informatie is ontvangen en (in kopie) doorgestuurd aan de gemachtigde. Deze heeft daarop gereageerd.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie vernietigd, omdat de officier van justitie de hoorplicht zou hebben geschonden
2. Het hof stelt - met de gemachtigde - vast dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden. Het hof zal daaraan echter geen gevolgen verbinden, nu de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie ook op een andere grond heeft vernietigd. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter op juiste gronden geoordeeld dat de officier van justitie het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege overschrijding van de beroepstermijn.
3. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “parkeren in strijd met parkeerverbod/parkeerverbodszone (bord E1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 6 september 2016 om 19.27 uur op de Sint Aagtenstraat in Leiden met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
4. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het voertuig op een plek stond die niet valt binnen het werkingsgebied van het verkeersbord, nu dat bord uitsluitend werking heeft op de rijbaan en niet op andere weggedeelten. Uit de bij het brondocument gevoegde foto’s blijkt dat het voertuig op een ander weggedeelte stond, waar parkeren was toegestaan. De beslissing van de kantonrechter is op dit punt onvoldoende gemotiveerd nu de kantonrechter enkel heeft overwogen dat voor de gehele binnenstad van Leiden een parkeerverbod geldt. Voorts voert de gemachtigde aan dat er geen sprake is van een ambtsedige verklaring van een ambtenaar. Aan de tekst in het zaakoverzicht mag dan ook geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Volgens hem kan de gedraging daarom niet worden vastgesteld. De gemachtigde is tot slot van mening dat de kantonrechter een onjuiste beslissing heeft genomen op het verzoek om een proceskostenvergoeding.
5. De Wahv stelt niet de eis dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve sanctie een ambtsedig proces-verbaal van een opsporingsambtenaar ten grondslag ligt. Het enkele ontbreken van een fysiek (ondertekend) proces-verbaal heeft dan ook niet tot gevolg dat de sanctie niet in stand kan blijven.
6. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Voor de gehele binnenstad van de gemeente Leiden geldt een parkeerverbod. Deze parkeerverbodszone wordt aangegeven met borden volgens model E1 van de bijlage van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Deze borden zijn op elke invalsweg, die naar centrum leiden, geplaatst met de aanduiding ‘zone’.”
8. In het dossier bevindt zich verder het brondocument (de aankondiging van beschikking), waarbij een viertal foto’s van de gedraging zijn gevoegd.
9. Het hof stelt, gelet op de verklaring van de ambtenaar en hetgeen namens de betrokkene is aangevoerd, vast dat het voertuig van de betrokkene geparkeerd stond binnen een met borden gemarkeerde parkeerverbodszone (te weten: de binnenstad van Leiden). Binnen een parkeerverbodszone mag niet worden geparkeerd, behalve op daartoe bestemde weggedeelten (artikel 65, derde lid, in samenhang met artikel 66 van Pro het RVV 1990). Anders dan de gemachtigde meent, heeft het bord E1 (zone) niet enkel betrekking op de rijbaan.
10. Verder stelt het hof op basis van de foto’s in het brondocument vast dat het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd op een smalle strook tussen de rijbaan en aan de weg gelegen panden. Op deze strook zijn geen parkeervakken gecreëerd.
11. Nu parkeren op daartoe bestemde weggedeelten een uitzondering vormt op het verbod om te parkeren, dient evident te zijn dat van een daartoe bestemd weggedeelte sprake is. Dit kan bijvoorbeeld door middel van witte belijning of bestrating worden aangegeven (parkeervakken). Op de locatie waar de betrokkene heeft geparkeerd is geen sprake van een parkeervak of een andere aanduiding waaruit zou kunnen worden afgeleid dat deze locatie een voor parkeren bestemd weggedeelte betreft. Het hof is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een weggedeelte bestemd voor parkeren in de zin van het derde lid van artikel 65 van Pro het RVV 1990. Gelet hierop stelt het hof vast dat de gedraging is verricht.
12. De kantonrechter heeft het beroep tegen de inleidende beschikking dan ook terecht ongegrond verklaard.
13. Nu de kantonrechter de inleidende beschikking in stand heeft gelaten, kan, gelet op het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197, in het midden blijven of de kantonrechter het verzoek om een proceskostenvergoeding al dan niet terecht of op juiste gronden heeft afgewezen. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen, zij het - gelet op hetgeen onder 2. is overwogen - met verbetering van gronden.
14. Het verzoek om een proceskostenvergoeding in hoger beroep wordt, gelet op het hierboven genoemde arrest, afgewezen.

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.