ECLI:NL:GHARL:2020:3370

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 april 2020
Publicatiedatum
28 april 2020
Zaaknummer
Wahv 200.210.958/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 11 WahvArt. 20d, tweede lid WahvArtikel 2, derde lid Besluit proceskosten bestuursrechtAlgemene termijnenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking en toekenning proceskostenvergoeding wegens onjuiste toepassing Wahv

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep tegen een administratieve sanctie wegens niet stoppen voor rood licht ongegrond verklaarde. De sanctie was opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) voor een overtreding op 14 maart 2016.

Het hof oordeelde dat de officier van justitie ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk had verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn, aangezien de termijn door een erkende feestdag verlengd werd. Vervolgens stelde het hof vast dat niet is gebleken dat de ambtenaar die de sanctie oplegde, de identiteit van de bestuurder niet kon vaststellen ondanks een reële mogelijkheid tot staandehouding. Hierdoor was de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder opgelegd.

Het hof vernietigde daarom de beslissing van de kantonrechter en de beschikking van de officier van justitie en verklaarde het beroep gegrond. Tevens werd een proceskostenvergoeding van € 787,50 toegekend aan de betrokkene, waarbij het beroep op een hogere vergoeding wegens niet-naleving van de Algemene termijnenwet werd afgewezen.

Uitkomst: De beslissing van de kantonrechter en officier van justitie wordt vernietigd, het beroep gegrond verklaard en proceskostenvergoeding van € 787,50 toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.210.958/01
CJIB-nummer
: 196461921
Uitspraak d.d.
: 28 april 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Holland van 9 februari 2017, betreffende

[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.M.C. Niederer, kantoorhoudende te Helmond.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 16 juli 2018 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.

De beoordeling

1. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie juist heeft beslist.
2. Niet in geding is dat de beroepstermijn volgens de rechtsmiddelverwijzing op de inleidende beschikking eindigde op vrijdag 6 mei 2016. De gemachtigde van de betrokkene merkt terecht op dat die datum bij het Besluit van 17 juni 2013, nr. 13.001210, is gelijkgesteld met een algemeen erkende feestdag. De beroepstermijn eindigde daarom - met inachtneming van de Algemene termijnenwet - op maandag 9 mei 2016. Met het op 7 mei 2016 via het digitaal loket van de CVOM ingediende beroepschrift, is dan ook tijdig beroep bij de officier van justitie ingesteld.
3. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie niet in stand had mogen laten. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie vernietigen. Het hof zal de zaak niet terugwijzen naar de rechtbank, zoals door de gemachtigde is verzocht, omdat artikel 20d, tweede lid, van de Wahv, gelet op de tekst daarvan, daar niet in voorziet. De overige bezwaren tegen de beslissing van de officier van justitie hoeven nu niet meer besproken te worden.
4. Ter beoordeling staat nu het beroep tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie is opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 maart 2016 om 08:47 uur op de Cruquiusweg in Heemstede met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] . Uit het zaakoverzicht volgt dat het een visuele waarneming betreft van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd.
5. De gemachtigde voert aan dat de inleidende beschikking vernietigd dient te worden. Deze is ten onrechte opgelegd aan de kentekenhouder. Niet valt in te zien waarom niet staande werd gehouden nu de gelegenheid daartoe wel bestond.
6. Het hof stelt vast dat de ambtenaar in de in het zaakoverzicht opgenomen verklaring niet heeft aangegeven, waarom hij deze sanctie met toepassing van artikel 5 van Pro de Wahv aan de kentekenhouder heeft opgelegd. Op grond van die verklaring kan derhalve niet blijken dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding ter vaststelling van de identiteit van de bestuurder van het voertuig heeft voorgedaan, terwijl het dossier ook overigens geen basis biedt voor een zodanige vaststelling. De gemachtigde van de betrokkene heeft dit verweer in de procedure bij de kantonrechter naar voren gebracht. Er is geen nader onderzoek ingesteld. Het hof acht het niet geraden om thans alsnog nadere informatie op te (doen) vragen bij de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd.
7. Nu op grond van de stukken niet blijkt dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig heeft voorgedaan, moet het ervoor worden gehouden dat de ambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 5 van Pro de Wahv, door de sanctie aan de kentekenhouder op te leggen. Aan die onjuiste toepassing verbindt het hof de consequentie dat de beschikking, waarbij de sanctie aan de betrokkene is opgelegd, moet worden vernietigd. De overige bezwaren tegen de opgelegde sanctie hoeven nu niet meer besproken te worden.
8. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking.
9. De gemachtigde verzoekt om integrale vergoeding van de proceskosten met toepassing van de wegingsfactor 1. Daartoe wordt aangevoerd dat van de officier van justitie mag worden verlangd dat hij alle voor de bepaling van het einde van de beroepstermijn geldende regels kent en in acht neemt. Door het beroep desondanks niet-ontvankelijk te verklaren, heeft hij een beslissing genomen waarvan hij op dat moment wist of behoorde te weten dat die in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden. De gemachtigde wijst daarbij op de uitspraken van de Hoge Raad van 13 april 2007 ECLI:NL:HR:2007:BA2802 en 6 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1928.
10. De Hoge Raad heeft in genoemde uitspraken in belastingzaken geoordeeld dat, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen grond kan zijn, indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking geeft of uitspraak doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden.
11. Het beroep op deze jurisprudentie faalt. De enkele omstandigheid dat de officier van justitie bij het beslissen op het administratief beroep had moeten onderkennen dat de Algemene termijnenwet van toepassing was levert niet een situatie op waarin strikte toepassing van de in het Besluit proceskosten bestuursrecht gegeven regeling evident onrechtvaardig zou zijn.
12. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift tegen de beslissing van de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal 3 procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 787,50.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 787,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat om het arrest te ondertekenen.