Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2020:3404

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2020
Publicatiedatum
29 april 2020
Zaaknummer
200.205.341/01 en 200.213.591/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 BWArt. 1:435 lid 6 BWArt. 1:448 BWArt. 1:452 lid 5 BWArt. 1:461 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag bewindvoerder en mentor na faillissement en ontbinding vennootschap

In deze civiele zaak stond het hoger beroep centraal tegen het ontslag van verzoekster als bewindvoerder en mentor van D. De kantonrechter had verzoekster per beschikking van 12 oktober 2016 ontslagen en opvolgers benoemd. Verzoekster stelde zich op het standpunt dat zij als bewindvoerder en mentor moest blijven fungeren.

Het hof overwoog dat verzoekster bij uitspraak van 27 februari 2018 failliet was verklaard en dat dit faillissement op 21 januari 2020 was opgeheven wegens gebrek aan baten, waarna de vennootschap ontbonden werd. Volgens artikel 1:448 BW Pro eindigt de taak van bewindvoerder door faillissement en artikel 1:435 lid 6 BW Pro sluit failliete personen uit voor benoeming tot bewindvoerder. Ook als mentor voldoet verzoekster niet meer aan de wettelijke eisen, omdat zij niet langer een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid is.

Daarom wees het hof het verzoek af om als bewindvoerder en mentor aan te blijven. Het hof bekrachtigde de beschikkingen van de kantonrechter en liet een mondelinge behandeling achterwege omdat dit tot geen ander oordeel zou leiden. Tevens was het bewind en mentorschap over D reeds opgeheven na het faillissement. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het ontslag van verzoekster als bewindvoerder en mentor vanwege haar faillissement en ontbinding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.205.341/01 en 200.213.591/01
(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 5424066 en 5424076)
beschikking van 21 april 2020
in de zaak met nummer 200.205.341/01 inzake
[verzoekster] B.V.
kantoorhoudend te [A] ,
verzoekster,
verder te noemen: [verzoekster] ,
voorheen advocaat: mr. M.A. Jansen te Heerenveen,
en
[B] B.V.,
kantoorhoudend te [C] ,
verder te noemen: [B] ,
alsmede
[D],
wonende te [E] ,
verder te noemen: [D] ,
en
in de zaak met nummer 200.213.591/01 inzake
[verzoekster] B.V.
kantoorhoudend te Burgum,
verzoekster,
verder te noemen: [verzoekster] ,
voorheen advocaat: mr. M.A. Jansen te Heerenveen,
en
Stichting Bewindvoering [F],
kantoorhoudend te [G] ,
verder te noemen: [F] ,
alsmede
[D],
wonende te [E] ,
verder te noemen: [D] .

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden (hierna: de kantonrechter), van 12 oktober 2016, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing betreffende het ontslag als bewindvoerder, met productie(s), ingekomen op 9 december 2016;
- de beschikking van het hof van 4 mei 2017 op het verzoek tot schorsing;
- een brief van de heer [H] , bestuurder van [verzoekster] , van 6 oktober 2017.
2.2
Het geding is na het onder 5.2 genoemde faillissement van [verzoekster] geschorst. Het geding is vervolgens niet overgenomen door de curator. Ontslag van instantie is door niemand verzocht. Het verzoek van [verzoekster] in hoger beroep ligt daarom nog aan het hof voor.
2.3
Zoals hierna onder 5.5 wordt overwogen heeft het hof een behandeling van deze zaak ter zitting achterwege gelaten.

3.De feiten

3.1
Bij beschikking van 9 november 2015 heeft de kantonrechter een bewind in de zin van artikel 1:431 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) ingesteld over alle tegenwoordige en toekomstige goederen die toebehoren aan [D] en [verzoekster] tot bewindvoerder benoemd. Bij die beschikking is tevens een mentorschap over [D] ingesteld en [verzoekster] tot mentor benoemd.
3.2
Voor de vaststaande feiten die vooraf gingen aan de bestreden beschikkingen verwijst het hof naar de overwegingen 3.2 tot en met 3.5 van voornoemde beschikking van het hof van 4 mei 2017 en neemt die hier over.
3.3
Bij de eerste bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de kantonrechter met ingang van 12 oktober 2016 [verzoekster] ontslagen als bewindvoerder en [B] als opvolgend bewindvoerder benoemd.
In de tweede bestreden beschikking heeft de kantonrechter met ingang van 12 oktober 2016 [verzoekster] ontslagen als mentor van [D] met benoeming van Stichting Bewindvoering [F] tot opvolgend mentor met ingang van diezelfde datum.
3.4
Het hof heeft in voornoemde beschikking van het hof van 4 mei 2017 op verzoek van [verzoekster] de werking van de eerste bestreden beschikking betreffende het ontslag als bewindvoerder geschorst en bepaald dat de hoofdzaak zal worden behandeld op een nader te bepalen zitting waarvoor partijen, alsmede de kantonrechter als informant, zullen worden opgeroepen.

4.De omvang van het geschil

[verzoekster] kan zich met voornoemde beschikkingen van de kantonrechter van 12 oktober 2016 niet verenigen en heeft daarvan hoger beroep ingesteld. Zij heeft verzocht haar beroep gegrond te verklaren en – naar het hof begrijpt - beide bestreden beschikkingen te vernietigen en te bepalen dat [verzoekster] bewindvoerder en mentor is gebleven en blijft.

5.De motivering van de beslissing

5.1
In geding is het ontslag van [verzoekster] als bewindvoerder en mentor van [D] .
5.2
Niet in de procedure overgelegd maar ambtshalve is het hof bekend, dat [verzoekster] bij uitspraak van 27 februari 2018 in staat van faillissement is verklaard. Dat faillissement is op 21 januari 2020 opgeheven wegens gebrek aan baten. De onderneming is vervolgens ontbonden. Evenzo is het hof ermee bekend dat de kantonrechter bij beschikking van 21 februari 2018 het mentorschap over [D] heeft opgeheven met ingang van 1 maart 2018 en bij beschikking van 3 april 2018 het bewind van [D] heeft opgeheven met ingang van 15 april 2018.
5.3
Artikel 1:448 BW Pro houdt in dat de taak van de bewindvoerder eindigt door zijn faillietverklaring. Ingevolge artikel 1:435 lid 6 aanhef Pro en onder d BW, kunnen niet tot bewindvoerder benoemd worden zij die in staat van faillissement verkeren.
Alleen al daarom kan [verzoekster] niet als bewindvoerder blijven fungeren, nog afgezien van het feit dat zij inmiddels ontbonden is. Het verzoek in hoger beroep om bewindvoerder van [D] te blijven zal dan ook worden afgewezen.
5.4
Artikel 1:461 lid 2 BW Pro houdt in dat een mentor ontslag wordt verleend hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om mentor te kunnen worden. [verzoekster] voldoet niet meer aan die eisen. Nu [verzoekster] inmiddels failliet en ontbonden is, is zij namelijk niet langer een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid als bedoeld in artikel 1:452 lid 5 BW Pro en kan niet meer als zodanig blijven optreden. Voor zover [verzoekster] heeft verzocht mentor te blijven van [D] , kan dat daarom niet worden toegewezen. Het ontslag als mentor kan dan ook in stand blijven.
5.5
De grieven van [verzoekster] behoeven geen verdere bespreking meer nu zij niet tot toewijzing van het verzochte kunnen leiden. Ook een behandeling van deze zaak ter zitting kan niet tot een ander oordeel leiden en heeft het hof daarom achterwege gelaten.
5.6
Overigens is na het uitspreken van het faillissement van [verzoekster] het bewind van [D] opgeheven met ingang van 15 april 2018 en is het mentorschap met ingang van 1 maart 2018 opgeheven. Ook daarom kan het verzoek van [verzoekster] in hoger beroep niet worden toegewezen.

6.De slotsom

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat het hof de beschikkingen waarvan beroep zal bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikkingen van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 12 oktober 2016;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, J.D.S.L. Bosch en E.B.E.M. Rikaart-Gerard, bijgestaan door de griffier, en is op 21 april 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.