ECLI:NL:GHARL:2020:3450

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 april 2020
Publicatiedatum
29 april 2020
Zaaknummer
Wahv 200.266.992/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens te late indiening beroepsgronden

De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie, maar het beroepschrift bevatte geen gronden. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de betrokkene de termijn om de gronden te herstellen niet heeft gehaald.

De betrokkene voerde aan dat hij de brief van de rechtbank niet begreep en contact had gezocht met het parket, dat hem vertelde niet te hoeven verschijnen. Ook stelde hij dat hij de brief te laat ontving en daarom te laat reageerde.

Het hof oordeelde dat het niet begrijpen van de brief geen excuus is om niet tijdig gronden in te dienen; de betrokkene had bij de griffier navraag moeten doen. De betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij het proces-verbaal te laat ontving om binnen de termijn te reageren.

Daarom bevestigt het hof de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep door de kantonrechter.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het niet tijdig indienen van beroepsgronden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.266.992/01
CJIB-nummer
: 217408261
Uitspraak d.d.
: 29 april 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 11 juli 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
Op 15 januari 2020 is nog een brief van de betrokkene ontvangen. Een afschrift daarvan is toegezonden naar de advocaat-generaal.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroepschrift geen gronden bevat en dit verzuim niet binnen de daartoe gegeven termijn is hersteld. Geen feiten of omstandigheden zijn door de betrokkene aangevoerd op grond waarvan een eventuele termijnoverschrijding niet aan de betrokkene kan worden toegerekend. Ter zitting van 11 juli 2019 is de betrokkene behoorlijk opgeroepen. Hij is evenwel niet verschenen om een nadere toelichting te geven.
2. De betrokkene voert aan dat hij destijds met het parket heeft gebeld over deze zaak met de vraag wat er van hem wordt verwacht, omdat hij de ontvangen brief niet begreep. Een medewerker heeft aangegeven dat het niet nodig was om te verschijnen, omdat alles was aangeleverd. De betrokkene voert verder aan dat hij verlaat een brief heeft ontvangen. Hij heeft direct het telefoonnummer op de brief gebeld en aangegeven dat hij veel later dan de datum van de brief de brief heeft ontvangen. Een medewerker gaf aan dit door te geven en voorts dat de betrokkene alsnog kon reageren, aldus de betrokkene.
3. Artikel 6:5 lid Pro 1, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een beroepschrift gronden dient te bevatten. Indien een beroepschrift geen gronden bevat, kan op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener van het beroepschrift de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
4. Het hof stelt vast dat de betrokkene bij brief van 30 juli 2018 beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. Het beroepschrift bevat geen beroepsgronden. De betrokkene is bij brief van 17 december 2018 opgeroepen voor de openbare zitting van de kantonrechter op
24 januari 2019. De betrokkene is niet op die zitting verschenen. De kantonrechter heeft de behandeling van de zaak aangehouden en de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de verzenddatum van het proces-verbaal zijn beroepsgronden schriftelijk kenbaar te maken. De kantonrechter heeft daarbij bepaald dat het niet (tijdig) overleggen van de beroepsgronden kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. Uit een stempel blijkt dat het proces-verbaal op
29 april 2019 is verzonden. De termijn om beroepsgronden in te dienen eindigde dus op 27 mei 2019. De betrokkene heeft bij brief van 3 juni 2019 de beroepsgronden ingediend. Uit een stempel blijkt dat deze brief op 5 juni 2019 door de griffier van de rechtbank is ontvangen. De betrokkene heeft dan ook niet binnen de door de kantonrechter gestelde termijn gronden ingediend.
5. Hetgeen de betrokkene aanvoert, maakt niet dat het niet binnen de gestelde termijn indienen van beroepsgronden de betrokkene niet kan worden toegerekend. In het aan de betrokkene verzonden proces-verbaal is duidelijk aangegeven dat de beroepsgronden binnen vier weken na de verzenddatum dienen te worden ingediend en dat het niet (tijdig) overleggen daarvan kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. Indien de betrokkene de inhoud van het proces-verbaal niet (goed) heeft begrepen, ligt het op zijn weg om tijdig, dus binnen de in het proces-verbaal aangegeven termijn om beroepsgronden in te dienen, navraag te doen en wel bij de griffier van de rechtbank die het proces-verbaal heeft toegezonden. Hetgeen de betrokkene met een medewerker van het parket heeft besproken is derhalve niet van belang. Met de enkele stelling dat hij een brief verlaat heeft gekregen, heeft de betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat hij het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter op zodanig moment heeft ontvangen dat hij niet in de gelegenheid is geweest om binnen de gestelde termijn het verzuim te herstellen. De gevolgen van de omstandigheid dat de betrokkene niet binnen de door de kantonrechter gestelde termijn alsnog gronden heeft ingediend, komen daarmee voor zijn rekening.
6. Gelet op het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter derhalve bevestigen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.
De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.