ECLI:NL:GHARL:2020:3514

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 mei 2020
Publicatiedatum
1 mei 2020
Zaaknummer
Wahv 200.224.958/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid en vernietiging verkeersboete wegens onduidelijke bebording

De betrokkene stelde beroep in tegen een verkeersboete voor overschrijding van de maximumsnelheid op de A12. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het te laat indienen van de gronden van beroep. Het hof oordeelt dat de gronden tijdig per post zijn verzonden en vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring.

Vervolgens beoordeelt het hof het beroep inhoudelijk. De betrokkene voerde aan dat de bebording onduidelijk was, omdat vlak voor de trajectcontrole nog een 120 km/h-bord stond terwijl de controle uitging van 100 km/h. Het openbaar ministerie kon dit niet weerleggen met schouwrapporten of andere stukken.

Het hof verklaart het beroep gegrond, vernietigt de beschikking en bepaalt dat de zekerheid die de betrokkene had gesteld wordt gerestitueerd. Tevens veroordeelt het hof het openbaar ministerie tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene.

Uitkomst: Het hof vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring, verklaart het beroep gegrond en veroordeelt het openbaar ministerie tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.224.958/01
CJIB-nummer
: 199394303
Uitspraak d.d.
: 1 mei 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 11 september 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.P.B. Waals, kantoorhoudende te Enschede.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om vergoeding van proceskosten is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat de gronden van beroep buiten de aan de gemachtigde van de betrokkene gestelde termijn zijn ingediend.
2. De gemachtigde van de betrokkene bestrijdt dat de gronden niet tijdig zijn ingediend, aangezien de gronden tijdig, te weten op 2 augustus 2017, per post naar de rechtbank zijn gestuurd.
3. Het hof stelt het volgende vast. Bij brief van 5 maart 2017 heeft de gemachtigde van de betrokkene beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. Het beroepschrift aan de kantonrechter bevat geen gronden. De gemachtigde heeft verzocht hem een termijn te verlenen voor het indienen van de gronden. Hierbij is voorts verzocht om toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Bij brief van 9 juni 2017 heeft de griffier van de rechtbank de gemachtigde een afschrift van het zaakoverzicht en de foto’s van de gedraging toegezonden. Hierbij is opgemerkt dat de gemachtigde naar aanleiding van het toezenden van de stukken de gronden kan aanvullen. Bij brief van 5 juli 2017 is de gemachtigde uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter op
28 augustus 2017. Bij separate brief van 5 juli 2017 heeft de griffier van de rechtbank de gemachtigde erop gewezen, dat het beroepschrift niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet, omdat de gronden van beroep ontbreken. Hierbij is verzocht zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen vier weken na dagtekening van deze brief de gevraagde informatie aan de griffier toe te sturen.
Bij brief van 2 augustus 2017 heeft de gemachtigde de gronden naar de rechtbank gestuurd. De griffier van de rechtbank heeft dit schrijven op 4 augustus 2017 ontvangen. Bij de door de griffier van de rechtbank aan de griffier van het hof toegezonden stukken bevindt zich niet de envelop waarin de brief van 2 augustus 2017 is verzonden.
4. Naar het oordeel van het hof kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. De brief waarin de gronden van beroep zijn vervat is de laatste dag van de termijn gedateerd. De gemachtigde stelt dat hij die brief tijdig heeft gepost. Nu de envelop waarin de brief is verzonden niet door de rechtbank is bewaard, kan niet aan de hand daarvan worden vastgesteld of de brief binnen de termijn naar de rechtbank is gestuurd. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat de gemachtigde aan het verzoek van de griffier van de rechtbank heeft voldaan om de gronden binnen een termijn van vier weken na dagtekening van de brief van 5 juli 2017 naar de rechtbank toe te sturen. Voorgaande zou anders hebben gelegen, wanneer in laatstgenoemde brief zou zijn vermeld dat de gronden binnen vier weken na dagtekening van die brief ontvangen moeten zijn. De kantonrechter heeft het beroep daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal die beslissing dan ook vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, namelijk de gronden tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
5. De gemachtigde heeft in het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie aangevoerd dat het recht om te worden gehoord is geschonden. Het hof stelt vast dat het verzoek daartoe in administratief beroep op juiste wijze is gedaan en zich ook geen andere uitzonderingsgevallen voordoen. Het hof zal op basis van deze grond - in het licht van bestendige, bekende en daarom niet nader te bespreken vaste rechtspraak van het hof op dit punt - het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
6. Bij inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 91,- voor “overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen met 12 km/h (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou hebben plaatsgevonden op 3 juli 2016 om 9.37 uur op de A12 (trajectcontrole) met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] . Uit het zaakoverzicht blijkt dat bij de vaststelling van de gedraging is uitgegaan van een maximumsnelheid van 100 km/h.
7. De gemachtigde heeft tegen de inleidende beschikking onder meer aangevoerd dat de bebording onduidelijk was. Vlak voor de trajectcontrole was immers nog een bord "120" te zien. Daarom is verzocht om schouwrapporten over te leggen.
8. Het is vaste rechtspraak van het hof dat een betwisting van de aanwezigheid van (deugdelijke) bebording bij snelheidsovertredingen die middels trajectcontrole op geautomatiseerde wijze worden vastgesteld, slechts kan worden weerlegd aan de hand van stukken – bijvoorbeeld schouwrapporten – die aannemelijk maken dat ten tijde van de constatering wél deugdelijke bebording aanwezig was (vergelijk het arrest van het hof van 16 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4973).
9. Het hof stelt vast dat de advocaat-generaal bij brief van 23 januari 2018 in de gelegenheid is gesteld om verweer te voeren. De advocaat-generaal heeft daarvan afgezien. Voormeld arrest was op dat moment reeds gewezen, zodat het daarin verwoorde oordeel van het hof bij de advocaat-generaal bekend mocht worden verondersteld. Desondanks is het dossier door het openbaar ministerie niet aangevuld met - voor de vaststelling van de gedraging noodzakelijke - informatie over de aanwezigheid van deugdelijke bebording. Bij deze stand van zaken ziet het hof geen aanleiding de advocaat-generaal alsnog in de gelegenheid te stellen deze informatie over te leggen.
10. Het verweer slaagt. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking daarom gegrond verklaren en die beschikking vernietigen. Gelet op de hierna te melden beslissing zal het hof de overige gronden tegen de inleidende beschikking onbesproken laten.
11. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de officier van justitie, bij de kantonrechter en in hoger beroep dienen in totaal
3 procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 787,50.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond en vernietigt die beschikking;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 Wahv Pro tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 787,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.