ECLI:NL:GHARL:2020:355

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 januari 2020
Publicatiedatum
15 januari 2020
Zaaknummer
Wahv 200.250.607/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken machtiging in verkeersboetezaak

In deze zaak staat het hoger beroep centraal tegen een beslissing van de kantonrechter inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De kantonrechter had een beslissing genomen die het hof vernietigt omdat niet is vastgesteld dat de gemachtigde behoorlijke gelegenheid heeft gehad zijn zienswijze toe te lichten.

De kern van het geschil betreft de niet-ontvankelijkheid van het beroep tegen de officier van justitie, omdat ondanks een herstelmogelijkheid geen juiste machtiging is overgelegd. De gemachtigde ontkent de ontvangst van een herstelverzuimbrief, maar het hof acht de verzendadministratie voldoende bewijs van verzending en oordeelt dat de ontkenning onvoldoende is onderbouwd.

Het hof verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond en wijst het verzoek tot proceskostenvergoeding af. De inleidende beschikking blijft in stand. De uitspraak is gedaan door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 15 januari 2020.

Uitkomst: Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie wordt ongegrond verklaard wegens het niet tijdig overleggen van een juiste machtiging.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.250.607/01
CJIB-nummer
: 213177654
Uitspraak d.d.
: 15 januari 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 16 oktober 2018, betreffende
mr. [A] (hierna: [A] ),
kantoorhoudende te [B] ,

beweerdelijk optredend voor [betrokkene] B.V. ,

gevestigd te [C] .

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 8 juli 2019 wordt hier overgenomen.

Het verloop van de procedure

Bij mailbericht van 22 juli 2019 heeft [A] laten weten dat hij geen behoefte heeft aan een behandeling ter zitting van deze zaak.

Beoordeling

1. Gelet op de inhoud van het tussenarrest, waarin is overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat [A] behoorlijk in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze op een openbare zitting van de kantonrechter toe te lichten, zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen. Ter beoordeling van het hof staat vervolgens het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie.
2. De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard vanwege het, ondanks het bieden van een herstelmogelijkheid, ontbreken van een machtiging in deze zaak. [A] voert aan nimmer een verzuimbrief van de officier van justitie te hebben ontvangen.
3. Indien geen machtiging is overgelegd, kan een beroep op grond van artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
4. Bij het administratief beroepschrift van 9 februari 2018, dat [A] beweerdelijk namens de betrokkene heeft ingediend, heeft hij een machtiging gevoegd die betrekking heeft op de zaak met kenmerk 3062 5422 1253 0459. Het dossier bevat verder een brief van de officier van justitie van
10 april 2018, gericht aan Verkeersboete.nl, Postbus 7222, 2701 AE Zoetermeer, kenmerk: LI0194, CJIB-nummer: 6062 5422 1317 7654, met bijlage. In deze brief wordt [A] in de gelegenheid gesteld het verzuim om een machtiging te overleggen te herstellen binnen vier weken na dagtekening van de brief. Daarbij is vermeld dat het niet tijdig verstrekken van de gegevens kan leiden tot het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep.
5. Uit de bijlage bij deze brief, met als koptekst "CJIB-nummer: 6062542213177654", komt meer in het bijzonder naar voren dat wordt verzocht om toezending van een schriftelijke machtiging, waaruit blijkt dat deze betrekking heeft op de beschikking met het nummer zoals in de koptekst van de bijlage staat vermeld. Daarnaast wordt aangegeven dat de eerder overgelegde machtiging betrekking heeft op een onjuist CJIB-nummer. Ook wordt de mogelijkheid geboden om een kopie van de beschikking over te leggen.
6. Uit het dossier komt naar voren dat stukken aan de beweerdelijk gemachtigde kunnen worden toegezonden door deze te richten aan Verkeersboete.nl, Postbus 7222, 7201 AE Zoetermeer.
7. Bij het verweerschrift van de advocaat-generaal is de verzendadministratie van de Hoorpoule, afdeling Mulder beoordelen, van de CVOM overgelegd. Deze administratie heeft betrekking op verzending van diverse postbusstukken aan Verkeersboete.nl., die in een overzicht zijn verwerkt. In dat overzicht staat in de derde regels achtereenvolgens: kenmerk: "LI0194",
CJIB-nummer: "213177654", dagtekening "10-4-2018"en postcode "2701 AE". Onder het
overzicht is de volgende tekst opgenomen: "Bovenstaande brieven heb ik ontvangen en gecontroleerd op aantal, kenmerk en postcode in bijzijn van medewerker hoorpoule en zijn ter post bezorgd op", voorzien van de handtekening van de medewerker postkamer en de datum "10 april 2018".
8. De officier van justitie heeft hiermee naar het oordeel van het hof aannemelijk gemaakt dat de brief met bijlage als weergegeven onder 4. en 5. op 10 april 2018 aan [A] is verzonden. De door [A] genoemde omstandigheden dat niet is vermeld wanneer de post door het postbedrijf is opgehaald en dat de enveloppe van de brief niet te achterhalen valt, leidt niet tot een ander oordeel.
9. Gelet hierop ligt het op de weg van [A] om de ontvangst van de brief met bijlage op een niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. Daarin is hij niet geslaagd. De enkele ontkenning van de ontvangst van de stukken is daartoe onvoldoende.
10. Nu [A] niet binnen de gestelde termijn de in de brief van 10 april 2018 genoemde gegevens heeft verstrekt heeft de officier van justitie juist beslist. Het hof zal het beroep tegen die beslissing ongegrond verklaren.
11. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
wijst af het verzoek tot een proceskostenvergoeding.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.