ECLI:NL:GHARL:2020:3553

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 mei 2020
Publicatiedatum
6 mei 2020
Zaaknummer
Wahv 200.246.758/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 11 WahvArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 11 Besluit tarieven in strafzaken 2003Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen administratieve sanctie wegens vermeend negeren inhaalverbod

De betrokkene werd door de officier van justitie gesanctioneerd met een boete van €230 wegens het negeren van een inhaalverbod op een wegvak nabij Haastrecht. De overtreding zou hebben plaatsgevonden op 16 juni 2016 met een voertuig met kenteken [YY-000-Y]. De betrokkene voerde aan dat het inhaalverbod niet meer gold op de plek waar hij inhaalde, omdat hij zich na een zijweg bevond waar het verbod ophoudt te gelden.

Het hof onderzocht de situatie en concludeerde, mede op basis van door de advocaat-generaal geraadpleegde luchtfoto’s en kaarten, dat het inhaalverbod inderdaad ophield na de zijweg die uitkomt in een woonwijk. De ambtenaar die de overtreding vaststelde, had niet duidelijk kunnen aangeven waar precies de inhaalmanoeuvre was ingezet, waardoor niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld dat de overtreding binnen het verbodsvak plaatsvond.

Daarom kon de sanctie niet in stand blijven en werd de beslissing van de kantonrechter vernietigd. Tevens werd een proceskostenvergoeding van €13,40 toegekend voor de reiskosten van de betrokkene. Het arrest werd gewezen door mr. Van Schuijlenburg en uitgesproken in Leeuwarden op 6 mei 2020.

Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt de sanctie wegens onvoldoende bewijs dat de overtreding binnen het inhaalverbodsvak plaatsvond en kent proceskostenvergoeding toe.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.246.758/01
CJIB-nummer
: 208369571
Uitspraak d.d.
: 06 mei 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 29 augustus 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Daarbij is verzocht om vergoeding van kosten.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “negeren inhaalverbod”. Deze gedraging zou zijn verricht op 16 juni 2016 om 16.44 uur op de Provincialeweg Oost (huisnr. 72B) in Haastrecht met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .
2. De betrokkene stelt dat er ten onrechte een sanctie is opgelegd. Hij voert hiertoe aan dat op de plek van inhalen het inhaalverbod niet geldt. Rijdende op de N228 van Oudewater richting Haastrecht bevindt zich aan de linkerzijde een afslag richting de Hoenkoopserijweg. Kort na deze afslag staat aan de rechterzijde een bord F1 geplaatst, met een onderbord ‘uitgezonderd landbouwverkeer en brommobielen’. Tussen de afslag Hoenkoopserijweg en huisnummer 72B, waar volgens de inleidende beschikking de vermeende gedraging is verricht, staat het kasteel van de Paters Passionisten. Enige tijd hierna is aan de rechterkant een weg die uitkomt in een wijk met een tiental huizen. De betrokkene benadrukt dat het hier om een weg gaat en niet om een oprit. Na deze weg is niet direct een herhalingsbord geplaatst, zodat je vanaf daar tot zeker aan de bebouwde kom van Haastrecht wel degelijk mag inhalen. Dit blijkt eveneens uit de wegmarkering in de vorm van een dubbele onderbroken middenstreep op dat gedeelte van de weg.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Het betrof een permanent ingesteld inhaalverbod. Aantal ingehaalde voertuigen: 3. (…)
Betrokkene reed van Oudewater naar Haastrecht/Gouda en haalde drie à vier personenauto’s in. Alleen het inhalen van landbouwverkeer en brommobielen is middels een onderbord toegestaan. Geen van de ingehaalde voertuigen behoorde daartoe. Betrokkene werd tevens geflitst met een snelheid van 110 km/uur waar 80 is toegestaan. Daarvoor PV. De overtreding is duidelijk op de flitsfoto te zien. Tevens heb ik, verbalisant, de overtreding zien gebeuren. Reden geen staandehouding: verbalisant deed een controle snelheid (…)”.
5. Bij schrijven van 23 augustus 2017 heeft de officier van justitie om aanvullende informatie van de verbaliserend ambtenaar verzocht. De ambtenaar heeft daar echter vanaf gezien en volstaan met overlegging van een ondertekend overzicht zaakgegevens Mulder. Dit overzicht bevat dezelfde informatie als opgenomen in het zaakoverzicht.
6. De vraag waarvoor het hof zich ziet gesteld is of ter plaatse waar de betrokkene inhaalde een inhaalverbod van kracht was, aangeduid middels bord F1 (verboden voor motorvoertuigen om elkaar onderling in te halen) van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
7. Uit de toelichting op de Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens (Besluit
28 juni 1991, Stcrt. 1991/134) blijkt dat het bord F1 van kracht is voor het wegvak waarlangs het geplaatst is. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) wordt onder een wegvak verstaan: “gedeelte van een weg tussen twee zijwegen of - indien geen zijweg aanwezig is - tussen twee punten waarop een verkeersmaatregel betrekking heeft”. Het bord F1 blijft derhalve van kracht tot in ieder geval de volgende zijweg of een verkeersbord waardoor de werking van het bord F1 weer wordt opgeheven (= bord F2).
8. De betrokkene heeft gesteld dat de weg die uitkomt in een wijk met een tiental huizen, dient te worden aangemerkt als (zij)weg die het einde van een wegvak markeert. De advocaat-generaal heeft via Google Earth de situatie ter plaatse bekeken en vindt de stelling van de betrokkene aannemelijk. Het hof gaat er eveneens vanuit dat ten tijde van de vermeende gedraging sprake was van een zijweg. Voorts blijkt uit de door de advocaat-generaal bijvoegde afbeeldingen van Google Maps dat, zoals door de betrokkene is aangevoerd, na deze zijweg geen herhalingsbord is geplaatst en dat ter plaatse van de vermeende gedraging sprake is van dubbele onderbroken strepen. Gelet hierop moet -met de advocaat-generaal- worden vastgesteld dat het inhaalverbod niet meer gold na deze zijweg.
9. De advocaat-generaal heeft betoogd dat aannemelijk is dat de betrokkene voor het einde van het inhaalverbod de inhaalmanoeuvre al heeft ingezet. Op basis van de verklaring van de ambtenaar kan dit echter niet worden vastgesteld, aangezien hieruit niet blijkt waar de betrokkene de inhaalmanoeuvre heeft ingezet. Gelet op het verweer van de betrokkene had het op de weg van de ambtenaar gelegen om hier duidelijkheid over te verschaffen. Nu aanvullende informatie van de ambtenaar ontbreekt, kan op basis van de gegevens in het dossier niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
10. Het voorgaande brengt mee dat de inleidende beschikking geen stand kan houden. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.
11. Het hof acht termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de reiskosten die de betrokkene heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting van de kantonrechter. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Ingevolge die bepaling wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit komt neer op een bedrag van € 13,40 (woonadres betrokkene - adres zittingslocatie rechtbank Den Haag v.v.).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 13,40.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.