ECLI:NL:GHARL:2020:358

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 januari 2020
Publicatiedatum
15 januari 2020
Zaaknummer
Wahv 200.241.806/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 WAMArt. 2 WAMArt. 67 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging matiging sanctie voor onverzekerd voertuig ondanks betwiste RDW-hindernissen

De betrokkene kreeg een sanctie van €400 opgelegd wegens het niet afsluiten en in stand houden van een verzekering voor haar voertuig. Zij stelde dat de RDW haar belemmerde bij het schorsen van de tenaamstelling, waardoor zij onverzekerd bleef. Uit het dossier bleek echter dat het voertuig op 18 juli 2015 kapot ging, de verzekering op 22 juli 2015 werd beëindigd en de tenaamstelling pas op 10 september 2015 werd geschorst.

De wet verplicht kentekenhouders een verzekering af te sluiten en in stand te houden, tenzij de tenaamstelling is geschorst. Het hof oordeelde dat de door de betrokkene aangevoerde omstandigheden geen bijzondere reden vormden om de sanctie te laten vervallen of verder te matigen. De betrokkene had tijdig contact kunnen opnemen met de RDW of het voertuig verzekerd kunnen houden.

De kantonrechter had de sanctie reeds gematigd tot €200 en het hof bevestigde deze beslissing. Tevens overwoog het hof dat de officier van justitie niet verplicht is op alle argumenten expliciet in te gaan, zolang de motivering voldoende is. Het arrest werd gewezen door mr. Wijma en uitgesproken op een openbare zitting.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de matiging van de boete tot €200 voor het onverzekerd zijn van het voertuig.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.241.806/01
CJIB-nummer
: 192983822
Uitspraak d.d.
: 15 januari 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 23 april 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is [B] , wonende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 200,-.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie van € 400,- opgelegd voor: “voor een motorrijtuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 7 september 2015 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
2. De gemachtigde bestrijdt de onderhavige gedraging niet, maar stelt dat er omstandigheden zijn waardoor de sanctie kwijtgescholden dient te worden. De gemachtigde stelt dat de betrokkene direct met de juiste papieren naar de lokale vertegenwoordiging van de RDW is gegaan nadat bleek dat het voertuig niet meer gemaakt kon worden. De medewerkster achter de balie stelde echter dat zij niet de juiste codes had meegebracht. Later bleek dat de betrokkene wel de juiste codes had meegebracht. De RDW heeft dit ook telefonisch bevestigd. De gemachtigde stelt voorts dat het circa zes weken heeft geduurd voordat de betrokkene wist dat het voertuig ook geschorst kon worden via de website van de RDW. Omdat de betrokkene niet beschikte over een DigiD moest deze worden aangevraagd en dit duurde aanzienlijk langer dan nu het geval is. Volgens de gemachtigde bepaalt de eigenaar van het voertuig, de kentekenhouder, bij de RDW de gegevens en heeft de RDW geen recht om hindernissen en beperkingen op te leggen. Dat de RDW het aanbrengen van wijzigingen in de gegevens blokkeert waarvoor de verantwoordelijkheid bij de burger ligt, is, zo stelt hij, onrechtmatig. Tot slot is hij van mening dat de officier van justitie de bezwaren niet leest en standaardbrieven verstuurt.
3. Uit de stukken in het dossier blijkt dat het voertuig op 18 juli 2015 kapot is gegaan, de verzekering op 22 juli 2015 is beëindigd en de tenaamstelling in het kentekenregister op
10 september 2015 is geschorst.
4. De onderhavige gedraging is een overtreding van artikel 30, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (hierna: WAM). Deze bepaling brengt mee dat voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven, degene aan wie het kenteken is opgegeven een verzekering overeenkomstig deze wet moet afsluiten en in standhouden.
5. Uit artikel 67, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994 volgt dat de betrokkene als kentekenhouder van het motorrijtuig er verantwoordelijk voor is om, indien met het voertuig geen gebruik van de weg wordt gemaakt, de Dienst Wegverkeer te verzoeken de tenaamstelling in het kentekenregister te schorsen. Deze schorsing brengt mee dat de verzekeringsplicht gedurende de periode van schorsing niet geldt (artikel 2, derde lid, WAM) en de betrokkene dus niet strafbaar is wanneer er dan geen verzekering van kracht is (artikel 30, derde lid, WAM).
6. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de gemachtigde de gedraging niet ontkent, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie (nog verder) te matigen.
7. Naar het oordeel van het hof zijn de namens betrokkene opgegeven omstandigheden voor het onverzekerd zijn van haar voertuig geen bijzondere omstandigheden zoals hiervoor bedoeld. Op grond van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de verzekeringsplicht bestaat er een zorgplicht voor kentekenhouders om een verzekering voor hun voertuig af te sluiten en in stand te houden. In het geval men hiertoe niet wil of kan overgaan (gedurende een bepaalde periode) kan men de tenaamstelling in het kentekenregister schorsen. Indien de betrokkene een voertuig op haar naam laat overschrijven, is zij vanaf dat moment als kentekenhouder verantwoordelijk voor alle verplichtingen die dat met zich brengt, waaronder ook de verzekeringsplicht. De gevolgen van de omstandigheid dat de betrokkene volgens haar gemachtigde door toedoen van (het systeem van) de RDW niet kon overgaan tot schorsing van de tenaamstelling in het kentekenregister komen voor haar rekening. Niet blijkt dat de betrokkene tijdig, dat wil zeggen vóór het beëindigen van de verzekering (d.d. 22 juli 2015), contact met de RDW heeft opgenomen of op andere wijze heeft getracht de schorsing van de tenaamstelling van haar voertuig te regelen. Nog daargelaten dat de gemachtigde diens stelling niet van enige onderbouwing heeft voorzien, is het hof in het licht van het voorgaande niet gebleken dat de RDW op enige wijze een hindernis of beperking heeft opgelegd waardoor het voor de betrokkene niet mogelijk was om de schorsing (tijdig) te regelen. Evenzeer had de betrokkene, toen verlenging van de schorsing niet lukte, er voor kunnen kiezen om het voertuig verzekerd te houden tot het moment dat de schorsing wel was geregeld.
8. Gelet op het voorgaande is niet gebleken van omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden die aanleiding zouden moeten geven de sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie verder te matigen. Het hof zal de door de kantonrechter toegepaste matiging echter in stand laten om de betrokkene niet in een nadeliger positie te brengen dan zij zou zijn geweest wanneer zij geen hoger beroep zou hebben ingesteld. Voor zover de gemachtigde nog heeft betoogd dat de beslissing van de officier van justitie niet deugdelijk is gemotiveerd, overweegt het hof nog dat de officier van justitie niet gehouden is op alle aangevoerde argumenten expliciet in te gaan. Uit de motivering van deze beslissing blijkt voldoende dat de namens betrokkene aangedragen gronden van het beroep in de beslissing zijn betrokken.
9. Het hof zal, gelet op het vorenstaande, de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.