ECLI:NL:GHARL:2020:3691

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 mei 2020
Publicatiedatum
12 mei 2020
Zaaknummer
Wahv 200.227.917/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WahvArt. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens overschrijding termijn in bestuursstrafzaak

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep tegen een bestuursstrafbeslissing ongegrond verklaarde vanwege overschrijding van de beroepstermijn.

De kern van het geschil betrof de vraag of het beroepschrift tijdig was ingediend. De beschikking was op 4 november 2016 aan de betrokkene toegestuurd, met een beroepstermijn die eindigde op 16 december 2016. Het beroepschrift was gedateerd op 16 december 2016, maar werd pas op 21 december 2016 ontvangen. Omdat het beroepschrift in een 'port betaald' envelop was verzonden zonder poststempel, kon niet worden vastgesteld of het tijdig was gepost.

De gemachtigde overhandigde een factuur van PostNL als bewijs van verzending op 16 december 2016, maar deze kon niet worden gekoppeld aan het beroepschrift. Hierdoor werd niet aannemelijk gemaakt dat het beroepschrift binnen de termijn was gepost. De kantonrechter oordeelde daarom terecht dat het beroep niet-ontvankelijk was. Het hof bevestigde deze beslissing en wees tevens het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.227.917/01
CJIB-nummer
: 202458448
Uitspraak d.d.
: 12 mei 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 26 september 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.P.B. Waals, kantoorhoudende te Enschede.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie juist heeft beslist.
2. Tegen de inleidende beschikking kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beschikking aan de betrokkene is toegestuurd. Uit artikel 6:9 van Pro de Awb volgt dat een beroepschrift dat binnen een week na het aflopen van de beroepstermijn per post binnenkomt nog op tijd is, zolang het beroepschrift maar voor het einde van de termijn op de post is gedaan.
3. De inleidende beschikking is op 4 november 2016 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 16 december 2016. Het beroepschrift is gedateerd 16 december 2016. Uit een stempel blijkt dat het op 21 december 2016 door de officier van justitie is ontvangen.
4. Doordat de gemachtigde het beroepschrift heeft verzonden in een envelop ‘port betaald’ is het niet gestempeld en kan daaruit niet worden opgemaakt wanneer de brief ter post is bezorgd. Het ontbreken van bewijs komt voor rekening van de verzender van het poststuk.
5. In hoger beroep heeft de gemachtigde een factuur met orderdetails van PostNL overgelegd. Hieruit volgt dat door de gemachtigde op 16 december 2016 een poststuk is aangeboden, bestemd voor de CVOM. De factuur kan echter niet in verband worden gebracht met het beroepschrift. De factuur noemt geen kenmerken die tot het beroepschrift of de envelop waarin het beroepschrift is aangeboden te herleiden zijn. De gemachtigde heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat het beroepschrift voor het einde van de beroepstermijn ter post is bezorgd. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.
6. De klacht dat de rechtbank het beroep rauwelijks niet-ontvankelijk heeft verklaard zonder dat de gemachtigde zich daarover kon uitlaten faalt. De kantonrechter heeft de zaak behandeld ter zitting van 26 september 2017. De gemachtigde is daarvoor opgeroepen. Bij die gelegenheid had de gemachtigde zich uit kunnen laten over de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep (door de officier van justitie). Van die gelegenheid heeft hij geen gebruik gemaakt.
7. Argumenten die meebrengen dat geoordeeld moet worden dat de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar is heeft de gemachtigde niet gesteld en zijn ook niet gebleken.
Dit betekent dat de kantonrechter juist heeft beslist. Diens beslissing zal worden bevestigd.
8. Gegeven deze beslissing zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat om het arrest te ondertekenen.