Beoordeling
1. Nu een proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 6 juli 2017 is toegevoegd aan het dossier, faalt het verweer van de gemachtigde van de betrokkene dat het proces-verbaal van de zitting ontbreekt.
2. De verweren van de gemachtigde ten aanzien van de beslissing van de officier van justitie laat het hof buiten bespreking omdat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie heeft vernietigd. De overige verweren van de gemachtigde richten zich tegen beslissing van de kantonrechter om de inleidende beschikking in stand te laten en tegen de hoogte van de vastgestelde proceskostenvergoeding.
3. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 275,- voor: “overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met 28 km/h (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 18 juli 2016 om 21.27 uur op de Heerdstraat in Sint Joost met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .
4. De officier van justitie heeft bij de door de kantonrechter vernietigde beslissing de pleeglocatie en pleegplaats gewijzigd naar Grote Bergerweg te Sint Odiliënberg.
5. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene niet weet waar de gedraging is verricht en dat de aanwezigheid van de bebording wordt betwist. Pas na ontvangst van het aanvullend proces-verbaal in hoger beroep heeft de ambtenaar een toelichting gegeven en heeft de betrokkene de plek kunnen reconstrueren. Hierdoor is de betrokkene de mogelijkheid ontnomen om adequaat verweer te voeren. Ten aanzien van het aanvullend proces-verbaal stelt de gemachtigde dat dit buiten beschouwing moet worden gelaten omdat al in administratief beroep een grond ten aanzien van de bebording was aangevoerd. Uit het aanvullend proces-verbaal blijkt dat de ambtenaar altijd de bebording controleert en hoe dat deze keer moet zijn gegaan, maar er worden geen redenen van wetenschap vermeld. De gemachtigde vraagt zich af hoe de ambtenaar weet dat hij die bewuste keer de bebording heeft gecontroleerd. Hij heeft geen aantekeningen laten zien. Tot slot merkt de gemachtigde ook op dat de geldigheidsdatum van de goedkeuring van het meetmiddel onjuist genoemd is, en dat dit van belang is om vast te stellen of het meetmiddel op de datum van de gedraging was goedgekeurd.
6. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, goedgekeurde en op de voorgeschreven wijze gebruikte snelheidsmeter.
Gemeten (afgelezen) snelheid: 91 km per uur.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 88 km per uur.
Toegestane snelheid: 60 km per uur.
Overschrijding met: 28 km per uur.
Merk/soort meetmiddel: Truspeed LTI20/20. (…)
Goedkeuring meetmiddel geldig: 12-10-5016.”
8. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal. Hierin verklaart de ambtenaar onder meer:
“De snelheid van de betrokkene werd gemeten op de Grote Bergerweg en de betrokkene werd staande gehouden op de Grote Bergerweg ongeveer 524 meter verderop en ongeveer 20 seconden later. Dit laatste werd gebaseerd op de snelheid die betrokkene reed op het moment dat hij gemeten werd. Het traject dat de betrokkene aflegde betrof een lange, rechte weg zonder zijstraten. De betrokkene werd door dezelfde verbalisant een stopteken gegeven als de verbalisant die de snelheidsmeting had gedaan, namelijk ondergetekende. Er zijn dus ook geen misverstanden of het wel de juiste personenauto betrof. Aan de betrokkene werd terstond medegedeeld dat zijn snelheid zojuist gemeten was op dezelfde Grote Bergerweg en dat, omdat deze te hoog was, hij een proces-verbaal zou krijgen.
Met betrekking tot de bebording relateer ik, verbalisant, het volgende:
Onze standaard werkwijze is dat, alvorens wij, collegae van het Team Verkeer Limburg een snelheidscontrole uitvoeren, de bebording controleren zodat er achteraf geen misverstanden over ontstaan. Zo ook op 18 juli 2018 (het hof leest: 2016) heb ik, verbalisant, de Grote Bergerweg afgereden met mijn dienstvoertuig en vervolgens terug vanuit de richting van de plaats [A] , toevallig de woonplaats van de verdachte, naar Sint Odiliënberg. Ik, verbalisant, heb me ervan overtuigd dat de bebording, bord A0160zb van het RVV1990, juist en duidelijk aangegeven stond. Dit betreft het zogenaamde zone bord met maximum toegestane snelheid van 60 km/u. (…)
In het zaakoverzicht staat onjuist vermeld dat de goedkeuring meetmiddel geldig is tot 12-10-5015 (het hof leest: 5016). Een geijkt meetmiddel is geen 3000 jaar geldig. Dit moet zijn 12-10-2016.”
9. De stelling van de gemachtigde dat het aanvullend proces-verbaal buiten beschouwing dient te worden gelaten omdat het te laat in de procedure is gegeven, vindt geen steun in het recht. De gemachtigde heeft kunnen reageren op het proces-verbaal en heeft dat ook gedaan. Voor zover de gemachtigde stelt dat de inleidende beschikking voor vernietiging in aanmerking komt omdat in de fase van administratief beroep niet is gereageerd op een informatieverzoek van de CVOM, stelt het hof vast dat de Aanwijzing Wahv waaraan de gemachtigde refereert, per 1 januari 2012 is vervallen. Het daarin opgenomen artikel met betrekking tot het informatieverzoek van het openbaar ministerie (artikel 1.5) is voorts als artikel 2.1.2. ongewijzigd opgenomen in de per 1 november 2013 in werking getreden Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen. Vanaf 1 januari 2015 bevat laatstgenoemde aanwijzing geen bepaling meer die ziet op informatieverzoeken van het openbaar ministerie. Op 5 augustus 2016 heeft de gemachtigde namens de betrokkene administratief beroep ingesteld tegen de op 27 juli 2016 uitgevaardigde inleidende beschikking. Op dat moment bestond er aldus geen bepaling (meer) die een termijn - en een gevolg van het overschrijden van deze termijn - verbond aan het voldoen aan een dergelijk informatieverzoek.
10. De gemachtigde stelt dat uit het dossier niet blijkt waar de gedraging precies is gepleegd op de Grote Bergerweg en dat dit pas door het aanvullend proces-verbaal is opgehelderd. Het hof stelt in dat verband vast dat de betrokkene staande is gehouden en dat het zaakoverzicht gegevens bevat met betrekking tot het kenteken van het voertuig, de aard, plaats en tijd van de gedraging, wat voldoende informatie oplevert om de gedraging waarop de inleidende beschikking betrekking heeft te individualiseren. Niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene over onvoldoende informatie beschikt om zich te kunnen verdedigen tegen de onderhavige gedraging. Derhalve verwerpt het hof het verweer.
11. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de beschikbare gegevens. Daaruit volgt dat de ambtenaar voorafgaand aan de snelheidscontrole heeft geconstateerd dat de bebording juist en duidelijk stond aangeven. De vragen die de gemachtigde stelt over de wijze van controleren en het feit dat de ambtenaar geen aantekeningen heeft laten zien, geven geen reden om daaraan te twijfelen.
12. Het hof ziet ook geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de meting. In het zaakoverzicht staat een kennelijke schrijffout met betrekking tot de einddatum van de goedkeuring van het meetmiddel, die het hof verbeterd zal lezen. Dat de ambtenaar in het aanvullend proces-verbaal een schrijffout heeft gemaakt bij het overnemen van de foute datum, is weliswaar onzorgvuldig te noemen, maar vervolgens wordt als juiste einddatum 16 oktober 2016 vermeld. Het hof gaat dan ook uit van die datum. Voornoemde datum ligt na de datum van de gedraging.
13. Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat de gedraging is verricht, zij het dat, doordat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie heeft vernietigd, de wijziging van de locatie van de gedraging van "Heerdstraat in Sint Joost" in "Grote Bergerweg in Sint Odiliënberg" ongedaan is gemaakt. In zoverre kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven.
14. Gelet op wat het hof in het arrest van 28 april 2020 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336) heeft overwogen, is er in dit geval geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarom hoeft het bezwaar tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om proceskostenvergoeding geen bespreking en wordt het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep afgewezen.