ECLI:NL:GHARL:2020:3805

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 mei 2020
Publicatiedatum
15 mei 2020
Zaaknummer
Wahv 200.239.596/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 7:24 AwbArt. 6:6 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie parkeren gehandicaptenparkeerplaats en dwangsombeslissing

De betrokkene kreeg een sanctie van €370 voor parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder het daarvoor bestemde voertuig. De kantonrechter wees het beroep af, evenals het verzoek om een dwangsom wegens vermeende te late beslissing van de officier van justitie.

In hoger beroep stelde de gemachtigde dat de officier van justitie het procesdossier niet volledig had verstrekt, wat de informatieplicht schond. Het hof vernietigde daarom de beslissing van de kantonrechter en de officier van justitie, en beoordeelde het beroep opnieuw.

Het hof oordeelde dat de gedraging van parkeren op de gehandicaptenparkeerplaats bewezen was en dat de sanctie terecht was opgelegd. De argumenten van de betrokkene, zoals het defecte bord en het feit dat hij bij de auto bleef, waren onvoldoende om de sanctie te verlagen of te vernietigen.

Ten aanzien van de dwangsom stelde het hof vast dat de beslistermijn door de officier van justitie tijdig was verlengd, waardoor de ingebrekestelling prematuur was en geen dwangsom verschuldigd was.

Het hof wees het beroep tegen de sanctie af, vernietigde de eerdere beslissingen en wees het verzoek om een dwangsom en proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de sanctie wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot vaststelling van een dwangsom wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.239.596/01
CJIB-nummer
: 204439963
Uitspraak d.d.
: 15 mei 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 13 april 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om vaststelling van een dwangsom is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep onder meer aan dat de officier van justitie het zaakoverzicht niet tijdig heeft verstrekt. De kantonrechter overweegt ten onrechte dat dit wel aannemelijk is geworden. Het volledige dossier is pas via de rechtbank toegestuurd.
2. Uit het dossier blijkt het volgende. De gemachtigde heeft bij administratief beroepschrift van
1 maart 2017 verzocht om toezending van het procesdossier. In reactie op – naar het hof begrijpt – uitnodigingen van 12 en 29 mei 2017 om te worden gehoord heeft hij bij brief van 15 juni 2017 onder meer aangegeven dat bij bestudering van de dossiers is gebleken dat nog niet in alle dossiers, waaronder de onderhavige zaak, het volledige procesdossier is toegestuurd. Hij verzoekt alsnog de volledige dossiers aan hem te doen toekomen. Bij brief van 29 juni 2017 heeft de gemachtigde er opnieuw op gewezen dat nog niet in alle zaken het volledige procesdossier is toegestuurd en wordt nogmaals verzocht deze aan hem te verstrekken.
3. De officier van justitie heeft het beroep bij beslissing van 7 november 2017 ongegrond verklaard. In deze beslissing staat onder andere: "In uw brief van 15 juni 2017 geeft u aan dat nog niet in elke zaak het volledige procesdossier is verstrekt en dat u daarom niet gehoord kan worden. Wij hebben u in alle zaken de stukken die deel uitmaken van het dossier toegezonden, te weten het zaakoverzicht - indien van toepassing - de foto en het aanvullend proces-verbaal."
4. Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de officier van justitie de gemachtigde de op de onderhavige zaak betrekking hebbende stukken heeft toegestuurd. De officier van justitie stelt dat wel maar heeft dat niet aannemelijk gemaakt. Gelet daarop moet worden geoordeeld dat de officier van justitie de informatieplicht heeft geschonden.
5. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie niet in stand had mogen laten. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter en -met gegrondverklaring van het beroep daartegen- de beslissing van de officier van justitie vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen. De overige bezwaren gericht tegen de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie behoeven nu geen bespreking meer.
6. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 370,- voor: “parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats anders dan met het voor die gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats bestemde voertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op
5 januari 2017 om 22.10 uur op de Koestraat in de parkeergarage (huisnummer 21) Hattem met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
7. De gemachtigde heeft gesteld dat de inleidende beschikking moet worden vernietigd omdat van de buitengewoon opsporingsambtenaar die de sanctie heeft opgelegd, geen niet geanonimiseerde akte van beëdiging online te vinden is.
8. Onder verwijzing naar rechtsoverweging 17 van het arrest van het hof van 23 december 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl, ECLI:NL:GHARL:2019:10797, treft dit bezwaar geen doel.
9. De gemachtigde voert met betrekking tot de gedraging aan dat de betrokkene niet fout heeft geparkeerd op een invalidenparkeerplaats, omdat bij het inrijden van de parkeergarage en ook bij de parkeerplaats zelf werd aangegeven dat de lift defect was en dat mindervaliden daarom beter een andere plek konden opzoeken. Hiervan zijn door de gemachtigde eerder in de procedure foto’s overgelegd. De betrokkene ging er dan ook vanuit dat hij daar mocht parkeren. Daarnaast is de betrokkene de hele tijd bij zijn auto gebleven en was dus geen sprake van parkeren, maar van stilstaan. Als er iemand met een invalidenparkeerkaart was gekomen, had hij zijn auto weggezet. Bovendien was het 22.10 uur en heeft de betrokkene zelf de politie gebeld, omdat een paar jongens voor overlast zorgden. Subsidiair stelt de gemachtigde dat de boete te hoog is, terwijl - uitgaande van de Wahv - geen sprake is van een aso-delict. Het bedrag van de sanctie dient daarom verlaagd te worden.
10. Naar het oordeel van het hof was sprake van parkeren in de zin van artikel 1, aanhef en onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), omdat de betrokkene het voertuig niet uitsluitend ter plaatse heeft stil gezet om passagiers onmiddellijk te laten in- of uitstappen dan wel goederen te laden of te lossen. De omstandigheid dat de betrokkene voortdurend bij zijn auto aanwezig was, maakt niet dat van parkeren geen sprake is. Verder stelt de gemachtigde
- naar het hof begrijpt - dat de betrokkene de gedraging niet verwijtbaar heeft verricht. Dat ter plaatse ten tijde van de gedraging zou zijn aangegeven dat mindervaliden wordt aangeraden een andere parkeerplek te zoeken, brengt niet mee dat de betrokkene daar mocht parkeren. De parkeerplaats had op dat moment nog steeds te gelden als een gehandicaptenparkeerplaats, in dit geval voor het voertuig waarvoor deze plek was gereserveerd. Het hof is van daarom van oordeel dat kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht en dat er geen redenen zijn die meebrengen dat opleggen van de sanctie niet billijk is.
11. Het hof ziet evenmin aanleiding om het bedrag van de sanctie te matigen. Op grond van artikel 2, derde lid, van de Wahv is de hoogte van de sanctie voor elke gedraging vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. In de hoogte van het sanctiebedrag komt tot uiting hoe ernstig de regelgever de gedraging vindt. Mede gelet op de kwetsbare positie van degenen voor wie gehandicaptenparkeerplaatsen bedoeld zijn, betreft het bepaalde in artikel 26 van Pro het RVV 1990 een absoluut verbod. De in hoge mate tariefsmatige afdoening van gedragingen brengt mee dat slechts bijzondere omstandigheden aanleiding kunnen geven om van de vastgestelde tarieven af te wijken. De door de gemachtigde aangevoerde omstandigheden zijn daartoe onvoldoende.
12. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren.
13. De gemachtigde verzoekt het hof verder om te bepalen dat de officier van justitie een dwangsom van € 1260,- verbeurt, omdat hij te laat op het beroep heeft beslist, de ingebrekestelling tijdig is verstuurd en de beslistermijn te laat is verdaagd.
14. Artikel 4:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) houdt in:
1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. (…)
2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 20,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen
€ 30,- per dag en de overige dagen € 40,- per dag.
3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
15. In artikel 7:24 van Pro de Awb staat vermeld:
1. Het beroepsorgaan beslist binnen zestien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken.
(…)
3. De termijn wordt opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te Pro herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
4. Het beroepsorgaan kan de beslissing voor ten hoogste tien weken verdagen.
16. Op basis van het dossier stelt het hof, voor zover hier van belang, het volgende vast:
- de inleidende beschikking is op 25 januari 2017 toegezonden;
- op 1 maart 2017 heeft de gemachtigde administratief beroep ingesteld, waarbij is aangevoerd dat de beschuldiging dat de betrokkene een verkeersovertreding heeft begaan onjuist is;
- op 23 juni 2017 heeft de officier van justitie de gemachtigde er op gewezen dat de gronden van het beroep ontbreken, zodat er sprake is van een verzuim, en hem in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken na dagtekening van de brief te herstellen;
- bij brief van 30 juni 2017 heeft de gemachtigde de nadere gronden van het beroep ingediend;
- in het dossier bevinden zich brieven van 16 juni 2017 en 12 juli 2017 waarin de officier van justitie de betrokkene en de gemachtigde meedeelt dat hij gebruik maakt van de mogelijkheid om de wettelijke beslistermijn van 16 weken met 10 weken te verlengen;
- bij brief van 4 augustus 2017, ontvangen op 7 augustus 2017, heeft de gemachtigde de officier van justitie in gebreke gesteld;
- bij brief van 7 november 2017 heeft de officier van justitie op het beroep beslist.
17. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb eindigde de beroepstermijn in dit geval op 8 maart 2017. De beslistermijn liep af op 28 juni 2017. Van opschorting van deze termijn vanwege het opvragen van beroepsgronden is geen sprake. De enkele ontkenning in het beroepschrift van 1 maart 2017 is voldoende om te spreken van een grond, zodat geen sprake was van een verzuim als bedoeld in artikel 7:27, derde lid, Awb.
18. Niet is betwist dat de brief van 16 juni 2017, waarin de officier van justitie aangeeft gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot het verlengen van de beslistermijn met 10 weken, door de gemachtigde is ontvangen. Uitgaande van deze brief heeft de officier van justitie de beslistermijn tijdig verlengd en eindigde de beslistermijn, gelet op artikel 7:24, eerste lid, derde lid en vierde lid van de Awb, op 6 september 2017. Dit betekent dat de ingebrekestelling van 4 augustus 2017 prematuur is. Daarom is er geen dwangsom verbeurd en zal het verzoek tot vaststelling van een dwangsom worden afgewezen.
19. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek tot vaststelling van een dwangsom af;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is verhinderd te ondertekenen.