ECLI:NL:GHARL:2020:3806

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 mei 2020
Publicatiedatum
15 mei 2020
Zaaknummer
Wahv 200.209.020/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3, tweede lid Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen ongegrondverklaring beroep wegens roodlichtovertreding

De betrokkene stelde beroep in tegen een sanctie van €230 wegens het niet stoppen voor rood licht op 1 november 2014 te Helmond. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof constateerde dat de zitting plaatsvond terwijl een uitstelverzoek was toegewezen, wat in strijd is met het beginsel van hoor en wederhoor.

Het hof vernietigde daarom de beslissing van de kantonrechter en besloot de zaak zelf af te doen. De betrokkene betwistte dat de overtreding had plaatsgevonden, onder meer vanwege twijfel over de geeltijd en de ijking van de roodlichtinstallatie, en het ontbreken van een ambtsedige verklaring.

Het hof oordeelde dat een ambtsedige verklaring niet vereist is en dat de gegevens, waaronder twee foto’s waarop het voertuig het rode licht passeert, voldoende bewijs vormen. De geeltijd van 3 seconden werd als juist aangenomen, zodat er voldoende gelegenheid was om te stoppen.

Daarmee stond vast dat de overtreding was begaan. Het beroep tegen de officier van justitie werd ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie wordt ongegrond verklaard en de beslissing van de kantonrechter vernietigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.209.020/01
CJIB-nummer
: 185500289
Uitspraak d.d.
: 15 mei 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Oost-Brabant van 1 augustus 2016, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.M.C. Niederer, kantoorhoudende te Helmond.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.
Vervolgens is van de gemachtigde van de betrokkene nog een brief ontvangen, die in afschrift is toegezonden aan de advocaat-generaal.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene klaagt erover dat de zitting van de kantonrechter heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2016, terwijl het aanhoudingsverzoek van de betrokkene was toegewezen door de griffier. De gemachtigde vraagt om terugwijzing van de zaak naar de rechtbank.
2. Uit het dossier blijkt dat de betrokkene bij brief van 3 juli 2016 om uitstel van de zitting van de kantonrechter heeft gevraagd. De griffier van de rechtbank heeft de betrokkene op 6 juli 2016 per e-mail laten weten dat het verzoek is toegewezen. Niettemin blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter dat de zitting doorgang heeft gevonden op 1 augustus 2016. Daarmee is gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. De beslissing van de kantonrechter kan geen stand houden. Het hof zal deze vernietigen. De Wahv voorziet in gevallen als deze niet in terugwijzing van de zaak naar de rechtbank, zodat het hof de zaak zelf zal afdoen. Daarbij wordt afgezien van het behandelen van de zaak op een zitting, nu de gemachtigde te kennen heeft gegeven dat de reistijd voor de betrokkene onoverkomelijk is. Het hof leidt uit deze opmerking af dat de gemachtigde niet in plaats van de betrokkene ter zitting zal verschijnen.
3. De overige bezwaren zijn gericht tegen de inleidende beschikking, of in ieder geval tegen het ongegrond verklaren door de officier van justitie van het beroep daartegen.
4. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 1 november 2014 om 10:37 uur op de Kanaaldijk Zuid-West in Helmond met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
5. In hoger beroep wordt betwist dat de gedraging is verricht. Het licht heeft tijdens het passeren niet op rood gestaan en de vermelde geeltijd van 3 seconden is niet juist. Het verkeerslicht sprong vrijwel direct op rood. Op de CJIB-website is enkel een ijkrapport met betrekking tot snelheidsmetingen te vinden. Gelet daarop staat niet vast dat de roodlichtinstallatie wel is geijkt. Daarmee moet worden betwijfeld of de intervaltijd, geeltijd en roodtijd juist zijn. Verder wordt gewezen op het ontbreken van een ambtsedige verklaring. De vermelde rijsnelheid mag niet bij de beoordeling worden gebruikt, nu de snelheid met een minitrajectcontrole is vastgesteld.
6. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft. Een ambtsedige verklaring is geen vereiste om te kunnen vaststellen dat een gedraging is verricht.
7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“De overtreding is geautomatiseerd met roodlichtapparatuur met twee foto’s digitaal/fotografisch vastgelegd.
Foto 1: het betreffende voertuig activeert de radardetectie of de lus achter de stopstreep van het rode verkeerslicht. Op het moment van constatering brandde het licht reeds 0,4 seconden.
Foto 2: circa een seconde later. Op foto 2 is duidelijk te zien dat het voertuig verder is gereden. De geeltijd van deze constatering is zichtbaar op de flitsfoto. (…) De overtreding werd geautomatiseerd vastgelegd door middel van geijkte radarapparatuur welke is gemonteerd in een flitspaal.”
8. Het dossier bevat verder twee foto’s van de gedraging. Op beide foto’s staat het verkeerslicht op rood. Te zien is dat het voertuig van de betrokkene op de eerste foto nog voor de stopstreep staat. Op de tweede foto is het voertuig zowel de stopstreep als het verderop gelegen verkeerslicht gepasseerd en verder gereden. In het fotobijschrift staat dat de geeltijd 3 seconden bedroeg.
9. Het hof ziet in wat is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de weergegeven gegevens. Daarbij wijst het hof erop dat geen rechtsregel voorschrijft dat roodlichtapparatuur wordt geijkt (vgl. het arrest van het hof van 15 mei 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2017:4021). Op basis van voormelde gegevens en foto’s staat vast dat het voertuig van de betrokkene het rode verkeerslicht is gepasseerd. De snelheid van het voertuig is in dit geval niet relevant, zodat het verweer op dat punt geen bespreking behoeft. Daarmee staat vast dat de gedraging is verricht.
10. Met het verweer met betrekking tot de geeltijd is kennelijk bedoeld te betogen dat de bestuurder van het voertuig niet tijdig voor rood heeft kunnen stoppen. Het hof constateert dat het verweer in hoger beroep, namelijk dat het verkeerslicht vrijwel direct weer op rood sprong, afwijkt van het verweer van de bestuurder zelf, dat de geeltijd eerder naar 2 seconden dan naar 3 seconden neigde. Wat hier ook van zij, hiervoor is reeds overwogen dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de weergegeven geeltijd van 3 seconden niet juist zou zijn. Daarmee is er voor een redelijk anticiperende weggebruiker voldoende gelegenheid geweest tijdig voor het verkeerslicht tot stilstand te komen. Het verweer op dit punt treft dan ook geen doel.
11. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking terecht ongegrond verklaard. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren.
12. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat om het arrest te ondertekenen.