Beoordeling
1. Het hof duidt voormelde beslissing van de kantonrechter aldus dat deze het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond heeft verklaard, die beslissing heeft vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond heeft verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 495,-.
2. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat er in deze zaak geen proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter is opgemaakt. De rechtbank Den Haag hanteert de praktijk om boven de uitspraak de term “proces-verbaal” te plaatsen, zonder een afzonderlijk verslag op te stellen van hetgeen ter zitting is besproken. Op deze wijze is het onmogelijk om te controleren wat er ter zitting is gezegd, aldus de gemachtigde. Daarbij komt nog – zo begrijpt het hof – dat een deel van het betoog van de gemachtigde ter zitting niet is terug te vinden in het “proces-verbaal”.
3. Op grond van het bepaalde in artikel 13, derde lid, Wahv wordt de beslissing van de kantonrechter aangetekend in het proces-verbaal van de zitting. De beslissing van de kantonrechter is opgenomen in het proces-verbaal van de zitting van 20 juli 2017. Anders dan de gemachtigde stelt omvat het proces-verbaal naast de beslissing van de kantonrechter ook de standpunten van partijen, alsmede een zakelijke weergave van wat er op de zitting is voorgevallen. Er bestaat geen verplichting om daarin een letterlijke weergave van de gevoerde argumenten op te nemen.
Indien de gemachtigde wenst dat hetgeen hij naar voren brengt letterlijk in het proces-verbaal wordt opgenomen, kan hij zich bedienen van een pleitnotitie die hij kan overleggen met het verzoek die aan het proces-verbaal te hechten dan wel kan hij om akte vragen van hetgeen hij naar voren brengt. Dat in het proces-verbaal van de zitting niet alles is opgenomen dat kennelijk door de gemachtigde naar voren is gebracht, komt gelet hierop voor rekening van de gemachtigde en maakt niet dat niet aan de wettelijke eisen is voldaan. De klacht van de gemachtigde faalt.
4. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “Parkeren bij een kruispunt binnen 5 meter daarvan”. Deze gedraging zou zijn verricht op 25 juni 2016 om 11.42 uur op de Allard Piersonlaan in ‘s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .
5. De gemachtigde heeft in het hoger beroepschrift aangevoerd dat de bevoegdheid van de buitengewoon opsporingsambtenaar die de sanctie heeft opgelegd wordt betwist. De mandaatconstructie is naar de mening van de gemachtigde niet in orde. De betrokkene is volgens de gemachtigde in mandaat beëdigd door [D] als "Coördinator BOA's eenheid Den Haag/Direct toezichthouder", terwijl deze gemandateerde niet werkzaam is onder de verantwoordelijkheid van de mandaatgever, te weten het College van Procureurs-Generaal.
6. Het hof kan de gemachtigde niet volgen. Bij de stukken bevindt zich een -door de gemachtigde in het kader van de behandeling van deze zaak door de kantonrechter overgelegd- proces-verbaal van beëdiging van 26 april 2012 van de betrokken buitengewoon opsporingsambtenaar. Uit dat proces-verbaal blijkt dat de betrokken ambtenaar op 26 april 2012 ten overstaan van [E] , commissaris, in de hoedanigheid van waarnemend adjunct-directeur, de eed heef afgelegd.
7. De gemachtigde voert verder met betrekking tot de bevoegdheid van de buitengewoon opsporingsambtenaar aan dat hij de gemeente Den Haag heeft verzocht om de verstrekking van het boa-getuigschrift ten bewijze van de bekwaamheid van de buitengewoon opsporingsambtenaar ambtenaar. Het getuigschrift is niet aan de gemachtigde verstrekt en ook anderszins niet door hem te achterhalen. De inleidende beschikking komt om die reden voor vernietiging in aanmerking, aldus de gemachtigde.
8. Zoals in het arrest van het hof van 23 december 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:10797 is overwogen, is het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar ten tijde van het opleggen van de sanctie het uitgangspunt. Dit is slechts anders indien hetgeen wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan omtrent de bevoegdheid van de ambtenaar. Dat, zoals in dit geval, het boa-certificaat van de betrokken ambtenaar niet kan worden achterhaald doet een dergelijke twijfel niet ontstaan. Het verweer faalt. 9. De gemachtigde voert verder aan dat niet kan worden volgehouden dat is geparkeerd binnen vijf meter van een kruising. Ter onderbouwing van die stellingname heeft de gemachtigde een via Google Maps verkregen schermafbeelding bijgevoegd. Op basis van deze foto is duidelijk dat het voertuig zich ten tijde van de gedraging niet binnen de vijf meter-grens bevond, zodat de inleidende beschikking voor vernietiging in aanmerking komt, aldus de gemachtigde.
10. De gedraging in deze zaak is vastgesteld op 25 juni 2016. Bij de stukken bevindt zich het brondocument, met daarin als opmerking van de ambtenaar dat hij de onder 4. genoemde personenauto op datum en tijdstip voornoemd op een afstand van minder dan vijf meter van het kruisvlak op de Allard Piersonlaan zag staan. Deze gedraging is op foto vastgelegd en het beeld op deze foto sluit aan bij hetgeen door de ambtenaar als zijn waarneming heeft vastgelegd. De door de gemachtigde ingebrachte schermafdruk van de situatie ter plaatse doet geen twijfel ontstaan omtrent hetgeen door de ambtenaar is vastgesteld. Dat laatste te meer nu de foto dateert van juli 2017.
11. De gemachtigde heeft verder aangevoerd dat parkeren aan de Allard Piersonlaan een ramp is. De architectuur in de betreffende buurt sluit niet aan bij de explosieve groei van het gemotoriseerde verkeer. Door het team Handhaving van de gemeente Den Haag wordt daarom rekening gehouden met de parkeersituatie aldaar door niet handhavend op te treden. Dat in dit geval wel handhavend is opgetreden, is voor de betrokkene een raadsel. Indien de gemeente geen helderheid verschaft omtrent het geldende handhavingsbeleid ter plaatse, dan wel de ambtenaar geen nadere uitleg op dit punt verschaft door middel van een proces-verbaal, dient de inleidende beschikking wegens schending van het vertrouwens- en rechtzekerheidsbeginsel te worden vernietigd.
12. Het hof begrijpt de gemachtigde aldus dat er in dit geval door af te wijken van bestaand handhavingsbeleid sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Het hof volgt de gemachtigde hierin niet. Het is vaste rechtspraak van het hof dat van schending van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de betrokkene slechts sprake is indien zonder geldige reden ten nadele van de betrokkene wordt afgeweken van met betrekking tot gedragingen als de deze geldende beleid (vgl. Hof Leeuwarden 8 oktober 2003, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHLEE:2003:AM5326). Daarvan is hier niet gebleken. De enkele suggestie dat er sprake is van dergelijk beleid, zonder enige onderbouwing, is onvoldoende om schending van dit beginsel aan te kunnen nemen. 13. Ten slotte voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter de proceskosten onjuist heeft vastgesteld. Nu de kantonrechter de inleidende beschikking in stand heeft gelaten, kan, gelet op het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197, in het midden blijven of de kantonrechter de hoogte van de proceskostenvergoeding juist heeft vastgesteld. 14. Het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep wordt, gelet op het hierboven genoemde arrest, afgewezen.