ECLI:NL:GHARL:2020:3871

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 mei 2020
Publicatiedatum
19 mei 2020
Zaaknummer
Wahv 200.261.530/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 RVV 1990Art. 66 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete parkeren zonder vergunning op vergunninghoudersplaats

De betrokkene kreeg een boete van €95,- opgelegd voor het parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders zonder de vereiste vergunning op 24 mei 2018 te Heusden. Zij voerde aan dat het bord E9 ten tijde van de overtreding niet zichtbaar of aanwezig was en overlegde een foto ter onderbouwing.

Het hof herhaalt dat voor het vaststellen van de overtreding voldoende is dat de toegangsweg die de bestuurder volgde van een deugdelijk bord is voorzien. De betrokkene moest daarom de gereden route aangeven om haar verweer te onderbouwen, maar heeft dit niet gedaan.

Op basis van de wettelijke bepalingen en eerdere jurisprudentie oordeelt het hof dat het verweer faalt. De beslissing van de kantonrechter die het beroep ongegrond verklaarde wordt bevestigd. De boete blijft daarmee in stand.

Het arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier kon het arrest niet medeondertekenen.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete voor parkeren zonder vergunning op een vergunninghoudersplaats.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.261.530/01
CJIB-nummer
: 217703799
Uitspraak d.d.
: 19 mei 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Oost-Brabant van 25 maart 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “parkeren op parkeerplaats vergunninghouders (bord E9) zonder vergunning voor dat voertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op 24 mei 2018 om 15.11 uur op de Wijksestraat in Heusden met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .
2. De betrokkene voert aan dat ten tijde van de gedraging op de Wijksestraat in de gemeente Heusden het bord E9 niet zichtbaar dan wel niet aanwezig was. Zij heeft in dit verband een foto overgelegd.
3. Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder g, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) luidt:
‘De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid door verkeersbord E9 van bijlage I, indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats is verleend.’
4. Artikel 66, tweede lid, van het RVV 1990 luidt:
‘Indien boven een verkeersbord het woord «zone» is aangebracht zonder aanduiding van het gebied van de zone, geldt het verkeersbord in een gebied dat wordt begrensd door het verkeersbord en een of meer in samenhang met dat verkeersbord geplaatste borden waarmee het einde van de zone wordt aangeduid.’
5. Bij een vergunninghouderzone als hier worden de grenzen daarvan door middel van meerdere verkeersborden aangegeven. Iedere voor motorvoertuigen openstaande toegangsweg waarlangs de zone kan worden bereikt, moet van een bord zijn voorzien. Om te kunnen vaststellen dat de gedraging, waarvoor de vaststelling dat deze heeft plaatsgehad in de desbetreffende zone van belang is, is verricht, is voldoende dat de toegangsweg waarlangs de bestuurder van het voertuig de zone is ingereden van een deugdelijk bord is voorzien.
6. In zijn arrest van 28 februari 2020, gepubliceerd op rechtspraak.nl, nr. ECLI:NL:GHARL:2020:1803, heeft het hof het volgende overwogen:
"Om te kunnen vaststellen dat de gedraging, waarvoor de vaststelling dat deze heeft plaats gehad in de bebouwde kom of in de desbetreffende zone van belang is, is verricht, is niet noodzakelijk dat de aanwezigheid van
alleborden wordt vastgesteld. Voldoende is dat de toegangsweg waarlangs de bestuurder van het voertuig de zone is ingereden, van een deugdelijk bord is voorzien. Dit uitgangspunt brengt mee dat een betrokkene die stelt dat deugdelijke bebording ontbrak, moet aangeven welke route de bestuurder heeft afgelegd om zijn bestemming te bereiken (vgl. het arrest van het hof van 9 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:4055)."
7. De betrokkene heeft niet aangegeven welke route zij heeft afgelegd om haar bestemming te bereiken. Bij deze stand van zaken treft het bezwaar van de betrokkene geen doel.
8. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.