In deze civiele zaak staat de ontruiming van een boerderij met erf en landerijen centraal, die in erfpacht was gegeven en waarvan de huurder de woonruimte en een deel van de schuur gebruikt. De verhuurders, gezamenlijke erfgenamen, vorderden ontruiming na het einde van de erfpachtperiode. De kantonrechter beëindigde de huurovereenkomst en veroordeelde tot ontruiming per 1 juni 2020.
De huurder, die de boerderij bewoont met haar partner en dieren, vorderde in hoger beroep schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis op grond van artikel 351 RvPro. Zij stelde dat zij door de coronacrisis geen passende alternatieve woonruimte kon vinden en dat het stallen van haar paarden elders financieel niet haalbaar was.
Het hof weegt het woonbelang van de huurder af tegen het belang van de verhuurders bij ontruiming. Gezien de uitzonderlijke omstandigheden van de coronapandemie, waarbij verhuizing onwenselijk is, besluit het hof de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis te schorsen. Het hof wijst erop dat het argument over paardenstalling geen doorslaggevende rol speelt, omdat de verhuurders het gehele gehuurde willen ontruimen.
De beslissing over de kosten wordt gereserveerd tot de einduitspraak in de hoofdzaak, die op 30 juni 2020 wordt voortgezet.
Uitkomst: De tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis is geschorst vanwege de coronacrisis.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.275.848/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 7636542)
arrest van 19 mei 2020
in de zaak van
[appellante],
die woont in [A] ,
appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
eiseres in het incident,
bij de rechtbank: gedaagde,
hierna: [appellante],
advocaat: mr. W.G. ten Have, die kantoor houdt in Winschoten,
tegen
1.[geïntimeerde1] ,
die woont in [B] ,
hierna: [geïntimeerde1],
2. [geïntimeerde2],
die woont in [C] ,
hierna: [geïntimeerde2],
3. [geïntimeerde3],
die woont in [D] ,
hierna: [geïntimeerde3],
4. [geïntimeerde4],
die woont in [B] ,
hierna: [geïntimeerde4],
die procederen voor zichzelf en in hun hoedanigheid van gezamenlijke erfgenamen in de nog niet verdeelde nalatenschap van [erflater], die is overleden op
5 december 2016,
geïntimeerden in principaal hoger beroep, appellanten in incidenteel hoger beroep,
verweerders in het incident,
bij de rechtbank: eisers,
hierna gezamenlijk: [geïntimeerden] c.s.,
advocaat: mr. G.A. Pots, die kantoor houdt in Leeuwarden.
1.De procedure bij de rechtbank
1.1
Hoe de procedure bij de rechtbank is verlopen, blijkt uit de vonnissen van 25 juni 2019 en 3 december 2019 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (hierna: de rechtbank).
2.De procedure in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure bij het hof blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 3 maart 2020, waarin de grieven zijn opgenomen en waarin tevens is opgenomen een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging op grond van artikel 351 RvPro (met één bijlage);
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens memorie van antwoord in het incident van 21 april 2020 (met bijlagen);
- een akte van [appellante] van 28 april 2020 (met bijlagen).
2.2
[geïntimeerden] c.s. hebben niet meer kunnen reageren op de laatste bijlagen van [appellante] , reden waarom het hof die niet bij de beoordeling heeft betrokken.
2.3
Partijen hebben arrest gevraagd in het incident, te wijzen op het griffiedossier en de stukken van de procedure bij de kantonrechter die [appellante] aan het hof heeft gegeven.
3.De feiten, het geschil en de beslissing van de kantonrechter
3.1
Het gaat in deze zaak over de boerderij met erf en bijbehorende landerijen aan de [a-straat 1] in [A] . De boerderij met erf is eigendom van [geïntimeerde1] . De gezamenlijke eigendom van de landerijen berust bij [geïntimeerde1] samen met haar vier kinderen [geïntimeerde2] , [geïntimeerde3] , [geïntimeerde4] en (wijlen) [erflater] .
3.2
Met ingang van 1 februari 1993 is de boerderij met landerijen in erfpacht gegeven aan de heer [E] . In de erfpachtovereenkomst is onder meer bepaald dat de erfpachter niet bevoegd is de zaak te verhuren of te verpachten. De erfpacht is gevestigd tot en met 31 januari 2019.
3.3
Met ingang van 15 april 2011 heeft de heer [F] de rechten en plichten uit de erfpachtovereenkomst overgenomen. In de tussen [geïntimeerden] c.s. en [F] gesloten overeenkomst is opgenomen dat op de erfpacht dezelfde voorwaarden van toepassing zijn zoals neergelegd in de overeenkomst met [E] .
3.4
Met ingang van 1 juni 2011 heeft [F] - zonder dit aan [geïntimeerden] c.s. te melden en zonder hun toestemming - de boerderij met aangrenzende schuur verhuurd aan de heer [G] voor woondoeleinden. [appellante] , die een affectieve relatie heeft gehad met [G] , is op enig moment bij laatstgenoemde ingetrokken.
3.5
[geïntimeerden] c.s. zijn er op enig moment achter gekomen dat [F] de boerderij met schuur verhuurde aan [G] . Zij hebben [F] er schriftelijk meerdere malen op gewezen (voor het eerst op 24 januari 2012) dat hij door de verhuur in strijd handelt met de erfpachtovereenkomst.
3.6
De samenwoning van [G] en [appellante] is met ingang van 1 juni 2012 geëindigd. Vervolgens heeft [F] de huurovereenkomst met [appellante] voortgezet. Sindsdien huurt zij het woongedeelte van de boerderij en een deel van de schuur, waarin zij haar paarden heeft gestald.
3.7
[geïntimeerden] c.s. hebben [appellante] gesommeerd de boerderij te ontruimen tegen het einde van de erfpachtovereenkomst (1 februari 2019). [appellante] heeft aan die oproep geen gehoor gegeven en ook aan de sommatie nadien door [geïntimeerden] c.s. geen gevolg gegeven.
3.8
Na het einde van de erfpachtovereenkomst is op grond van de wet een huurovereenkomst van kracht tussen [geïntimeerden] c.s. als verhuurder en [appellante] als huurder. In de procedure in eerste aanleg hebben [geïntimeerden] c.s. gevorderd dat de kantonrechter de huurovereenkomst beëindigt en [appellante] veroordeelt tot ontruiming van de boerderij, met bijkomende vorderingen.
3.9
In het eindvonnis van 3 december 2019 heeft de kantonrechter de huurovereenkomst tussen [geïntimeerden] c.s. en [appellante] beëindigd met ingang van 1 juni 2020 en [appellante] veroordeeld om het gehuurde tegen die datum te ontruimen, met bijkomende veroordelingen. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.De beoordeling in het incident op grond van art. 351 RvPro
4.1
Het hof begrijpt dat [appellante] in het incident schorsing van tenuitvoerlegging van het eindvonnis van de kantonrechter van 3 december 2019 vordert. [geïntimeerden] c.s. hebben dit ook zo begrepen. [appellante] voert aan dat zij de boerderij bewoont met haar partner, drie paarden, honden en een poes. Na het bestreden vonnis hebben [appellante] en haar partner naarstig gezocht naar alternatieve woonruimte, maar ze hebben niets gevonden dat binnen hun budget past. Het gezamenlijke inkomen is onvoldoende voor het stallen van de paarden bij een derde. Ook is het moeilijk om een huurwoning te vinden waarbij het houden van huisdieren (honden, kat) is toegestaan, aldus tot zover [appellante] .
4.2
[geïntimeerden] c.s. hebben geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering. Zij voeren aan dat zij door [F] - in flagrante strijd met het erfpachtcontract - zijn geconfronteerd met een huurster waarvan zij nu al jarenlang proberen af te komen. [appellante] profiteert al negen jaar lang van de verboden huurovereenkomst. Ten koste van [geïntimeerden] c.s. kan [appellante] voor een schijntje (€ 260,- per maand) voorzien in huisvesting voor haarzelf, haar partner en haar dieren. [appellante] frustreert de mogelijkheid om de boerderij en landerijen in erfpacht uit te geven, zoals vader [erflater] dat zou hebben gewild en waarvoor ook concrete gegadigden zijn. Betaalbare huisvesting voor [appellante] zou te vinden moeten zijn, waarbij de paarden mogelijk elders gehuisvest worden, aldus tot zover [geïntimeerden] c.s.
4.3
Het hof zal de argumenten van partijen beoordelen aan de hand van de criteria die de Hoge Raad heeft gegeven in het arrest van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026). In essentie houden deze criteria in dat moet worden nagegaan wiens belangen zwaarder wegen: van degene die de veroordeling verkreeg of van degene die veroordeeld is. Hierbij geldt dat moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de
daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het hoger beroep blijft buiten beschouwing. Wel kan de rechter in zijn oordeelsvorming betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing berust op een kennelijke misslag, maar dat is door [appellante] niet gesteld.
4.4
Bij de belangenafweging is een belangrijk gezichtspunt dat de rechtbank de vordering heeft toegewezen en dat moet worden voorkomen dat het instellen van hoger beroep wordt gebruikt als middel om uitstel van executie te verkrijgen. Het uitgangspunt is dus dat een veroordeling hangende hoger beroep uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan de belangen van degene die de veroordeling heeft verkregen.
4.5
Waar enerzijds het woonbelang van [appellante] duidelijk is en anderzijds de belangen van [geïntimeerden] c.s. bij ontruiming van het gehuurde per 1 juni 2020 evident zijn, kent het hof doorslaggevende betekenis toe aan de uitzonderlijke omstandigheden die de Corona-crisis teweeg heeft gebracht. In deze tijd waarin iedereen zoveel mogelijk thuis moet blijven en de overheid de nodige maatregelen treft ter voorkoming van de verdere verspreiding van het virus, is het niet verantwoord om mensen tot een verhuizing te dwingen. Het hof tekent daarbij wel aan dat het argument van [appellante] dat zij elders geen paardenstalling kan vinden die binnen haar budgettaire mogelijkheden valt, geen gewicht in de schaal legt. Nu [geïntimeerden] c.s. echter stellen dat zij belang hebben bij de ontruiming van het gehele door [appellante] gehuurde - de woonruimte en het voor de stalling van de paarden in gebruik zijnde deel van de schuur - en geen onderscheid tussen de ruimten hebben gemaakt, ziet het hof evenmin aanleiding om dat te doen.
4.6
De incidentele vordering zal daarom als volgt worden toegewezen. De beslissing over de kosten van het incident zal worden gereserveerd tot de einduitspraak. De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen om voort te procederen.
schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing onder 5.2 van het vonnis van de kantonrechter van 3 december 2019 (de veroordeling tot ontruiming per 1 juni 2020);
bepaalt dat omtrent de kosten zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 30 juni 2020voor memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.W. Zandbergen en mr. J. Smit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 19 mei 2020.