ECLI:NL:GHARL:2020:3962

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 mei 2020
Publicatiedatum
20 mei 2020
Zaaknummer
Wahv 200.210.508/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 11 WahvArt. 3 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie voor rijden door roodlicht met discussie over meetmethode

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het niet stoppen voor rood licht op 30 november 2015. In eerste aanleg werd het beroep van de betrokkene door de kantonrechter gegrond verklaard vanwege procedurele fouten, waaronder het niet toestaan van inzage in het procesdossier en het onjuist vermelden van de meetmethode in het zaakoverzicht.

In hoger beroep stelde de gemachtigde dat de gedraging onvoldoende vaststond omdat de gebruikte meetapparatuur niet geijkt was en het zaakoverzicht onjuistheden bevatte. Het hof oordeelde dat hoewel de kantonrechter onjuist had gehandeld door het verzoek om inzage in het dossier niet toe te staan, dit niet leidde tot schending van het verdedigingsbelang van de betrokkene.

Het hof stelde vast dat de foto's van de overtreding en de technische verklaringen van het meetinstrument voldoende bewijs leverden dat de betrokkene het rode licht was gepasseerd. De onjuistheid in het zaakoverzicht over de gebruikte meetmethode deed hieraan niet af. Het beroep tegen de inleidende beschikking werd ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de officier van justitie is gegrond verklaard en de beslissing van de kantonrechter vernietigd, maar het beroep tegen de inleidende beschikking is ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.210.508/01
CJIB-nummer
: 193936953
Uitspraak d.d.
: 20 mei 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 14 februari 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.M.C. Niederer, kantoorhoudende te Helmond.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 123,75.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.
Op 16 juli 2018 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat hij in het kantonberoep van 2 april 2016 heeft verzocht om een afschrift van het procesdossier. In de brief van 5 februari 2017 is daar nogmaals om verzocht, met name om de foto’s van de gedraging, en is verzocht de zaak aan te houden. De kantonrechter heeft ten onrechte niet beslist op een gemotiveerd verzoek om aanhouding. De betrokkene is zo beperkt in zijn recht op een eerlijke behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, aldus de gemachtigde.
2. In de procedure bij de kantonrechter geldt dat op verzoeken om toezending van de op zaak de betrekking hebbende stukken slechts hoeft te worden gereageerd in samenhang met de mededeling ex artikel 11, vierde (thans: vijfde) lid, van de Wahv. Op verzoeken om toezending van stukken buiten het bestek van die mededeling gedaan, hoeft de griffier niet te reageren. De gemachtigde is bij brief van 3 januari 2017 opgeroepen voor de zitting van 14 februari 2017. In die brief is hem meegedeeld dat hij tot één week voor de zitting de op de zaak betrekking hebbende stukken kan komen inzien. Het verzoek van 2 april 2016 is prematuur. Het verzoek van 5 februari 2017 is gedaan binnen de termijn die is gesteld in de brief van 3 januari 2017. De griffier heeft de gemachtigde bij brief van
7 februari 2017 bericht dat aan zijn verzoek om stukken geen gevolg wordt gegeven. Er is alleen een mogelijkheid om het dossier ter griffie in te zien en daar afschriften te verkrijgen. Het verzoek om aanhouding zal dan ook niet worden gehonoreerd.
3. Door het verzoek van de gemachtigde om een kopie van de foto’s af te wijzen, heeft de rechtbank in strijd met artikel 11 van Pro de Wahv gehandeld (vgl. het arrest van het hof van 3 januari 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2018:104). Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en de overige tegen die beslissing aangevoerde bezwaren onbesproken laten. Inmiddels beschikt de gemachtigde over de foto’s van de gedraging. Aan de orde is nu het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie.
4. De gemachtigde heeft in het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie aangevoerd dat het recht om te worden gehoord is geschonden. Het hof stelt vast dat het verzoek daartoe in administratief beroep op juiste wijze is gedaan en zich ook geen andere uitzonderingsgevallen voordoen. Het hof zal op basis van deze grond - in het licht van bestendige, bekende en daarom niet nader te bespreken vaste rechtspraak van het hof op dit punt - het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
5. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht.” Deze gedraging zou zijn verricht op 30 november 2015 om 19:06 uur op de N206, Churchillaan De Bazelstraat - Kennedylaan in Leiden met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .
6. De gemachtigde voert aan dat de gedraging niet is verricht en onvoldoende vaststaat. De betrokkene is ervan overtuigd dat het verkeerslicht niet rood licht uitstraalde op het moment dat hij de stopstreep passeerde. Uit de overgelegde foto’s volgt het betoog van de betrokkene: hij was weliswaar de stopstreep voorbij gereden maar niet ook het rode licht. Betrokkene stond stil op het zebrapad. Het oplichten van de remlichten is op de foto’s nog te zien. Ook wordt een betrouwbaarheidsverweer gevoerd. De omstandigheid dat in de regeling meetmiddelen politie niet is voorgeschreven dat voor het constateren van roodlichtgedragingen een NMi-ijking dient plaats te vinden, doet er niet aan af dat de gedraging wordt vastgesteld met apparatuur die aan een periodieke herkeuring wordt onderworpen, juist omdat externe factoren en het tijdsverloop van invloed kunnen zijn op het meetresultaat. Deze kritische onderdelen dienen ook voor een roodlichtgedraging adequaat te functioneren. Nu voor de werking van de roodlichtinstallatie geen geijkte apparatuur wordt gebruikt, is hetgeen hierover in het zaakoverzicht is vermeld niet juist. Elementaire gegevens zoals die zijn vastgelegd op de databalk in de foto’s, zoals de geeltijd, intervaltijd en roodtijd zijn dus niet bij voorbaat juist. Immers, anders dan bij het ijken van de opstelling als snelheidsmeter, kan hiervan niet worden uitgegaan nu daaraan geen geijkt meetmiddel ten grondslag ligt. Een juiste werking van het meetmiddel kan niet slechts worden verondersteld. Het verkeerslicht sloeg vrijwel direct op rood. Nu het dossier geen enkel aanknopingspunt bevat dat de in de databalk vermelde geeltijd van 3 seconden juist is, is, anders dan de foto doet voorkomen, onvoldoende gelegenheid gegeven om te anticiperen en snelheid te verminderen. Ook blijkt uit de foto’s niet dat deze zijn genomen met de in de NMi-verklaring genoemde apparatuur danwel in het zaakoverzicht vermelde geijkte radarapparatuur. Het gevolg van de uitspraken van het hof van 23 augustus 2017 (ECLI:NL:GHARL:7299) en de niet gepubliceerde uitspraak van het hof van 15 augustus 2017, WAHV 200.174.272 is, dat indien aan de foto’s betrouwbaarheidsgebreken kleven, zoals betoogd, de gedraging niet in voldoende mate is komen vast te staan, omdat niet kan worden gesteund op het niet-ambtsedige zaakoverzicht.
7. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
"De overtreding is geautomatiseerd met roodlichtapparatuur met twee foto’s digitaal/fotografisch vastgelegd.
Foto 1: het betreffende voertuig activeert de radardetectie of de lus achter de stopstreep van het rode verkeerslicht. Op het moment van constatering brandde het rode licht reeds 0,7 seconden.
Foto 2: circa een seconde later. Op foto 2 is duidelijk te zien dat het voertuig verder is gereden. De geeltijd van deze constatering is zichtbaar op de flitsfoto. (…)
De overtreding werd geautomatiseerd vastgelegd door middel van geijkte radarapparatuur welke is gemonteerd in een flitspaal."
9. Het dossier bevat twee foto’s van de gedraging. Op beide foto’s staat het verkeerslicht op rood. Te zien is dat het voertuig van de betrokkene zich op de eerste foto nog voor het verkeerslicht bevindt. Op de tweede foto is het voertuig zowel de stopstreep als het verkeerslicht gepasseerd. Een zebrapad is op de foto niet zichtbaar. In de fotobijschriften staan datum, tijd en plaats, de roodtijd op beide foto’s en is vermeld dat de geeltijd 3 seconden bedroeg. Het op deze foto’s vermelde typegoedkeuringsnummer en serienummer komen overeen met die in de onder 10 genoemde stukken.
10. De gemachtigde van de betrokkene heeft de van het NMi afkomstige Locatieverklaring en de verklaring betreffende de ijking van de detectorsnelheidsmeter overgelegd. Het NMi heeft het meetmiddel op 12 oktober 2015 geijkt en goed bevonden. Het locatieonderzoek, dat ziet op de juiste afstand en werking van de detectielussen, is op 28 april 2015 uitgevoerd. Beide verklaringen waren geldig op 30 november 2015.
11. De zinsnede in het zaakoverzicht dat de overtreding geautomatiseerd werd vastgelegd door middel van geijkte radarapparatuur welke is gemonteerd in een flitspaal, is onjuist. Dit hoeft echter niet te leiden tot vernietiging van de inleidende beschikking, nu niet gebleken is dat de betrokkene door die onjuistheid in zijn verdedigingsbelang is geschaad.
12. Het hof ziet in wat is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de weergegeven geel- en roodlichttijden. De omstandigheid dat geen rechtsregel voorschrijft dat roodlichtapparatuur wordt geijkt, brengt op zichzelf niet mee dat moet worden getwijfeld aan de op de foto’s vermelde geel- en roodtijd. Op basis van voormelde gegevens en foto’s kan worden vastgesteld dat het voertuig van de betrokkene het rode verkeerslicht is gepasseerd terwijl de daaraan voorafgaande geellichtfase 3 seconden was. Daarmee staat vast dat de gedraging is verricht. Het hof ziet bij deze stand van zaken ook geen aanleiding om te onderzoeken of de geeltijd te kort was om te stoppen.
13. Het beroep tegen de inleidende beschikking is ongegrond.
14. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.