Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De betrokkene, geboren in 1985, heeft sinds 2014 een bewindvoerder vanwege problematische schulden. Na een wijziging van bewindvoerder in 2019 vroeg zij bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering, welke door de gemeente Groningen werd afgewezen met verwijzing naar de Gemeentelijke Krediet Bank als voorliggende voorziening.
De betrokkene verzocht vervolgens de kantonrechter om ontslag van de bewindvoerder en benoeming van een opvolgend bewindvoerder, maar dit verzoek werd afgewezen. In hoger beroep richtte zij zich niet tegen de afwijzing zelf, maar tegen een overweging van de kantonrechter dat een financieel belang als gewichtige reden ex artikel 1:448 lid 2 BW Pro kan gelden.
Het hof overwoog dat het hoger beroep niet gericht was op vernietiging van het dictum van de beschikking en dat de betrokkene onvoldoende belang had bij haar hoger beroep. Daarom verklaarde het hof haar niet-ontvankelijk. De beslissing werd op 26 mei 2020 in het openbaar uitgesproken door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens gebrek aan voldoende belang.