Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2020:4329

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juni 2020
Publicatiedatum
5 juni 2020
Zaaknummer
21-006674-19
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging PIJ-maatregel na poging tot doodslag bij jongere

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 9 juni 2020 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 18 december 2019. De verdachte werd veroordeeld voor poging tot doodslag en kreeg een jeugddetentie van 10 maanden en een PIJ-maatregel opgelegd.

De verdediging voerde aan dat de PIJ-maatregel niet passend zou zijn omdat het een ultimum remedium betreft en dat nog niet alle mogelijkheden van justitiële hulpverlening waren benut, verwijzend naar een rapport uit 2018 waarin individuele behandeling werd aanbevolen. Het hof overwoog echter dat de ernst van het strafbare feit in 2019 aanzienlijk was toegenomen en dat recente psychiatrische en psychologische rapporten adviseerden tot oplegging van de PIJ-maatregel.

Het hof achtte de rapportages betrouwbaar en zag geen reden om van de straf of maatregel af te wijken. Het vonnis van de rechtbank werd dan ook bevestigd, met een aanvulling op de strafmotivering. De verdachte werd veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan de benadeelde partij.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank waarin een PIJ-maatregel en jeugddetentie zijn opgelegd wegens poging tot doodslag.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-006674-19
Uitspraak d.d.: 9 juni 2020
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 18 december 2019 met parketnummer 05-132760-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
thans verblijvende in [detentie] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 mei 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P.W.E. Hoezen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 18 december 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van een poging tot doodslag veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 10 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft de rechtbank aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) opgelegd en verdachte veroordeeld tot betaling van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 850,-.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist. Het hof zal het vonnis waarvan beroep dan ook bevestigen, echter met aanvulling van de strafmotivering. Het hof overweegt het volgende.
Het hoger beroep is gericht tegen de door de rechtbank opgelegde PIJ-maatregel. In dat kader is door de verdediging aangevoerd dat aan verdachte geen PIJ-maatregel kan worden opgelegd nu dit een ultimum remedium is en nog niet alle mogelijkheden binnen de justitiële hulpverlening zijn benut. Daarbij verwijst de verdediging onder meer naar het rapport van psycholoog R.J.B. Metze van 21 juli 2018 waarin het belang dat verdachte individueel wordt behandeld, wordt benadrukt.
Het hof overweegt dat weliswaar in 2018 werd geadviseerd om verdachte individueel te behandelen, maar dat er na dit advies een ontwikkeling heeft plaatsgevonden in de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten. In onderhavige zaak betreft de verdenking immers een poging tot doodslag op 31 mei 2019. In het in de onderhavige zaak opgemaakte psychiatrisch rapport van I.E. Troost van 27 november 2019 en het psychologisch rapport van D. Breuker van 2 december 2019 wordt geadviseerd om verdachte een PIJ-maatregel op te leggen. In die rapportages is het voortraject, daar waar het gaat om de aan verdachte aangeboden hulpverlening en behandeling in de afgelopen jaren, niet genegeerd. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van de hiervoor genoemde rapportages en ziet derhalve geen aanleiding om aan verdachte een andere straf of maatregel op te leggen dan de rechtbank. Daarom dient het vonnis van de rechtbank met inachtneming van bovengenoemde aanvulling te worden bevestigd.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,
mr. M. Keppels en mr. M.J.C. Dijkstra, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Paauw - de Jong, griffier,
en op 9 juni 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. J. de Paauw - de Jong is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 9 juni 2020.
Tegenwoordig:
mr. G. Mintjes, voorzitter,
mr. C.Y. Huang, advocaat-generaal,
mr. S.G.J. Berk, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.