ECLI:NL:GHARL:2020:4785

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 juni 2020
Publicatiedatum
23 juni 2020
Zaaknummer
Wahv 200.229.695/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 66 RVV 1990
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring beroep parkeerverbodszone ondanks betwisting bebording

De betrokkene maakte bezwaar tegen een sanctie van €90 wegens parkeren in een parkeerverbodszone (bord E1) op 7 oktober 2015 in Gouda. Hij stelde dat de bebording niet deugdelijk was omdat hij geen zonebord E1 had gezien bij het inrijden van de wijk en dat het einde vergunninghouderzone-bord niet het einde van de parkeerverbodszone betekende.

De kantonrechter verklaarde het beroep tegen de sanctie ongegrond, maar kende een proceskostenvergoeding toe. Het gerechtshof overwoog dat het niet noodzakelijk is dat op alle toegangswegen bebording aanwezig is, maar dat de route van de bestuurder moet worden aangegeven als de bebording wordt betwist. De betrokkene had dit niet gedaan.

Het hof vond de verklaring van de ambtenaar dat er op de toegangswegen deugdelijk E1-borden stonden, voldoende en oordeelde dat het missen van de bebording voor rekening van betrokkene komt. Ook werd bevestigd dat het bord einde vergunninghouderzone niet het einde van de parkeerverbodszone betekent.

Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de ongegrondverklaring van het beroep tegen de sanctie en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.229.695/01
CJIB-nummer
: 193065190
Uitspraak d.d.
: 23 juni 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 13 oktober 2017, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.P.B. Waals, kantoorhoudende te Enschede.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 123,75.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De bezwaren van de gemachtigde zijn gericht tegen de beslissing van de kantonrechter tot ongegrondverklaring van het beroep tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene een sanctie is opgelegd van € 90,- voor: “parkeren in strijd met parkeerverbod/parkeerverbodszone (bord E1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 7 oktober 2015 om 9:29 uur op de Louise de Colignystraat in Gouda met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .
2. Namens de betrokkene wordt betwist dat sprake is van deugdelijke bebording. Toen de betrokkene de wijk inreed heeft hij geen zonebord E1 gezien en de ambtenaar verklaart niet expliciet dat op alle toegangswegen de bebording is gecontroleerd. Verder blijkt uit Google Maps Streetview dat zich binnen de betreffende parkeerverbodszone een E9-zone bevindt waarbinnen parkeren alleen is toegestaan voor vergunninghouders. Wanneer de betrokkene een einde zonebord passeert, hoeft van hem niet te worden verwacht dat hij begrijpt dat daarmee alleen de zone voor vergunninghouders is beëindigd en de parkeerverbodszone nog steeds van kracht is.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. In dit zaakoverzicht staat zakelijk weergegeven onder meer dat de ambtenaar heeft geconstateerd dat het voertuig met voormeld kenteken op voormelde datum, tijd en plaats stond geparkeerd in (strijd met) een parkeerverbod/parkeerverbodszone, hetgeen werd aangegeven met een bord E1, als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).
5. Voorts bevindt zich in het dossier een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van
3 maart 2016, waarin de ambtenaar, voor zover relevant, het volgende verklaart:
“Het bord E1 (zone) staat geplaatst aan het begin van deze wijk, bij alle ingangen staat duidelijk bebording.”
6. In zijn arrest van 28 februari 2020 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2020:1803) heeft het hof overwogen dat het bij een parkeerverbodszone niet noodzakelijk is dat op alle toegangswegen waarlangs de zone kan worden bereikt de aanwezigheid van bebording is vastgesteld. Voldoende is dat de toegangsweg waarlangs de bestuurder van het voertuig de zone is ingereden van een deugdelijk bord is voorzien. Dit uitgangspunt brengt mee dat een betrokkene die stelt dat deugdelijke bebording ontbrak, moet aangeven welke route de bestuurder heeft afgelegd om zijn bestemming te bereiken.
7. In de onderhavige zaak is niet aangegeven welke route de betrokkene heeft afgelegd om zijn bestemming te bereiken. Bij die stand van zaken ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat locatie waar het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd is gelegen binnen een parkeerverbodszone en dat er E1-zoneborden zijn geplaatst op de toegangswegen die daarnaartoe leiden. Dat de betrokkene deze bebording heeft gemist, is een omstandigheid waarvan de gevolgen voor zijn eigen rekening dienen te komen.
8. Verder merkt het hof op dat een parkeerverbodszone op grond van artikel 66, tweede lid, van het RVV 1990 wordt beëindigd door plaatsing van een bord waarmee het einde van die zone wordt aangeduid. De parkeerverbodszone wordt dus niet (mede) beëindigd door plaatsing van een bord waarmee het einde van de zone voor vergunninghouders wordt aangeduid. Voor zover de betrokkene dit niet heeft begrepen, betreft dit een omstandigheid waarvan de gevolgen voor zijn eigen rekening dienen te komen.
9. De bezwaren van de gemachtigde treffen geen doel. De kantonrechter heeft het beroep tegen de inleidende beschikking dus terecht ongegrond verklaard.
10. Verder zijn de bezwaren van de gemachtigde gericht tegen de hoogte van de door de kantonrechter toegekende proceskostenvergoeding.
11. Gelet op wat het hof in het arrest van 28 april 2020 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336) heeft overwogen, is er in dit geval geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarom hoeft het bezwaar tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om proceskostenvergoeding geen bespreking.
12. Het voorgaande brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter zal worden bevestigd en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep zal worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.