AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen sanctie wegens niet gebruiken richtingaanwijzer bij rijstrookwissel
De betrokkene stelde hoger beroep in tegen een sanctie van €90,- opgelegd wegens het niet gebruiken van de richtingaanwijzer bij het wisselen van rijstrook op de A4. De kantonrechter had de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep ongegrond verklaard, maar het hof stelde vast dat dit dictum een kennelijke verschrijving bevatte.
De betrokkene ontving de inleidende beschikking niet tijdig doordat de gemeente een adreswijziging niet had verwerkt in de Basisregistratie Personen (BRP). Hierdoor kon de termijnoverschrijding haar niet worden toegerekend en was het beroep ontvankelijk. Het hof oordeelde dat de sanctie terecht was opgelegd aan de kentekenhouder omdat de ambtenaar de bestuurder niet kon staande houden vanwege verkeersdrukte.
De betrokkene voerde aan dat zij op het moment van de overtreding thuis was en dat haar auto de hele dag stil stond, ondersteund door een verklaring met handtekeningen. Het hof vond dit niet overtuigend en achtte de verklaring van de ambtenaar betrouwbaar. De procedure duurde langer dan gewenst, maar de redelijke termijn van berechting was niet geschonden. Het hof verklaarde het beroep tegen de sanctie ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de sanctie wegens het niet gebruiken van de richtingaanwijzer wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.232.988/01
CJIB-nummer
: 194486997
Uitspraak d.d.
: 2 januari 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 30 november 2017, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Middels schrijven van 23 september 2019 heeft de griffier van het hof aanvullende informatie opgevraagd bij de advocaat-generaal.
Op 9 oktober 2019 is aanvullende informatie van het hof ingekomen. Een afschrift hiervan is ter reactie doorgezonden aan de betrokkene. De betrokkene heeft hierop middels schrijven van 15 oktober 2019 gereageerd.
Beoordeling
1. Het hof verstaat het dictum van de beslissing van de kantonrechter, waarin het beroep ongegrond wordt verklaard, als een kennelijke verschrijving. Uit de inhoud van die beslissing blijkt dat de kantonrechter tot de conclusie komt dat het administratief beroep niet tijdig is ingesteld en dat niet aannemelijk is geworden dat deze termijnoverschrijding de betrokkene niet kan worden toegerekend. Nu de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie had vernietigd, om reden dat deze het administratief beroep ten onrechte ontvankelijk had geacht, moet het dictum worden verstaan dat de kantonrechter het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. In haar beroepschriften voert de betrokkene aan de inleidende beschikking en de eerste aanmaning niet te hebben ontvangen. Deze zijn naar een oud adres gestuurd. Vanwege een computerstoring heeft de gemeente Den Haag haar verhuizing niet doorgevoerd. Na ontvangst van de tweede aanmaning d.d. 15 september 2016 heeft de betrokkene middels schrijven van 22 september 2016 administratief beroep ingesteld. De betrokkene heeft ter ondersteuning van haar beroep een uitdraai uit de Basis Registratie Personen (BRP) overgelegd alsmede e-mailcorrespondentie met de gemeente Den Haag en de RDW.
3. Tegen de inleidende beschikking kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beschikking aan de betrokkene is toegestuurd.
4. Artikel 4, tweede lid, van de Wahv schrijft voor dat de inleidende beschikking wordt bekendgemaakt door toezending van de beschikking aan het adres dat de betrokkene heeft opgegeven. Als dat niet mogelijk is en – zoals hier - de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, dient de bekendmaking van de beschikking, nadat de naam en het adres van de kentekenhouder van dat motorrijtuig bekend zijn, te geschieden door toezending van de beschikking aan dat adres. Indien de brief onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de beschikking gezonden naar het in de basisregistratie personen vermelde adres, tenzij dit hetzelfde is als hetgeen is opgenomen in het kentekenregister. Indien de brief ook op het in de basisregistratie personen opgenomen adres onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de beschikking geacht aan de betrokkene bekend te zijn.
5. Uit de informatie die door de advocaat-generaal is overgelegd, volgt dat de inleidende beschikking op 4 januari 2016 is verzonden naar het adres [a-straat 1] te [A] . De inleidende beschikking is vervolgens op 27 januari 2016 onbestelbaar retour gekomen (reden onbekend), waarna deze na raadpleging van de BRP op 5 februari 2016 (wederom) is verzonden naar het adres [a-straat 1] te [A] . Uit de gegevens in het zaakoverzicht volgt dat ook deze brief (met onbekende reden) onbestelbaar retour is gekomen.
6. Het hof stelt vast dat het beroepschrift van 22 september 2016, door de CVOM ontvangen op 26 september 2016, zich tussen de stukken van het dossier bevindt. Een beroepschrift van eerdere datum bevindt zich niet in het dossier.
7. Uit de door de betrokkene overgelegde e-mails kan – kort gezegd – worden afgeleid dat vanaf 14 maart 2007 het adres [a-straat 1] te [A] in de BRP staat geregistreerd en dat het adres op 10 februari 2016 door de gemeente met terugwerkende krachtper 15 oktober 2015 in de BRP is gewijzigd in de [b-straat 2] te [A] . Dit komt overeen met hetgeen in het door de betrokkene overgelegde uittreksel is opgenomen.
8. Het hof overweegt dat de inleidende beschikking, met verzending daarvan op 4 januari 2016 naar het adres dat op dat moment in het kentekenregister stond geregistreerd, terwijl dit adres niet afweek van het adres dat op datzelfde moment in de BRP stond geregistreerd, op juiste wijze is bekendgemaakt. Dit houdt in dat op diezelfde dag de termijn om tegen de beschikking in beroep te gaan is aangevangen en, met inachtneming van hetgeen onder 3. is overwogen, afliep op 15 februari 2016. De conclusie is dan ook dat de betrokkene niet tijdig administratief beroep heeft ingesteld.
9. Artikel 6:11 vanPro de Awb bepaalt – kort gezegd – dat een te laat ingesteld beroep tóch ontvankelijk kan zijn, wanneer het de betrokkene niet kan worden toegerekend dat te laat beroep is ingesteld.
10. Uit de door de betrokkene overgelegde informatie volgt dat zij (tijdig) een adreswijziging aan de gemeente heeft doorgegeven, maar dat de gemeente heeft verzuimd deze adreswijziging door te voeren en het adres van de betrokkene in de BRP te wijzigen. Daardoor heeft de inleidende beschikking – hoewel toegezonden naar het wettelijk voorgeschreven adres – de betrokkene niet bereikt. Dit betreft een omstandigheid die de betrokkene niet kan worden toegerekend. Het hof verwijst hiertoe naar het arrest van de Hoge Raad van 9 november 1993, VR 1994/139. Nu de betrokkene alsnog binnen een week nadat zij van de (bekendmaking van de) inleidende beschikking op de hoogte is geraakt beroep heeft ingesteld, is het hof van oordeel dat de overschrijding van de administratief beroepstermijn de betrokkene niet kan worden toegerekend.
11. Voorgaande houdt in dat de kantonrechter ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de beslissing van de officier van justitie moet worden vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Die beslissing kan dan ook geen stand houden.
12. Het hof zal thans, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. Bij die beslissing heeft de officier van justitie het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.
13. Bij deze inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “bij wisselen van rijstrook geen teken met richtingaanwijzer geven”. Deze gedraging zou zijn verricht op 25 december 2015 om 15:39 uur op de A4 in Leidschendam met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
14. De betrokkene betwist de gedraging te hebben verricht. In hoger beroep stelt zij dat op het moment van de gedraging, ’s middags op eerste kerstdag, zij met een groot gezelschap thuis was. Haar auto heeft de hele dag voor de deur gestaan. Ter ondersteuning hiervan heeft de betrokkene een in februari 2017 opgemaakte verklaring overgelegd waaruit voorgaande volgt en waaronder zes namen met handtekening staan. Daarnaast acht de betrokkene het ongeloofwaardig dat de ambtenaar de richtingaanwijzer kan hebben gezien, nu het voertuig van de betrokkene volgens zijn verklaring naast dat van hem zou hebben gereden, hem vervolgens zou hebben afgesneden, hij op de rem moest gaan staan om een aanrijding te voorkomen en hij tegelijkertijd het kenteken zou hebben genoteerd. Hetgeen de betrokkene ook bevreemdt, is dat de ambtenaar de bestuurder van het voertuig niet heeft staande gehouden. Hiertoe is voldoende tijd en gelegenheid geweest. Uit de verklaring van de ambtenaar volgt dat het voertuig dat hij heeft waargenomen voor hem heeft gereden. De gedraging is bovendien verricht binnen de bebouwde kom waar een maximumsnelheid van 50 km/h geldt, waar zich meerdere kruisingen met verkeerslichten bevinden en waar het op dat moment vanwege de feestdag niet druk was. De betrokkene merkt verder nog op dat de procedure veel te lang duurt, waardoor rechten zijn verwerkt c.q. sprake is van verjaring.
15. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
16. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast de volgende verklaring:
“Ik zag dat betrokken personenauto naast mijn personenauto reed om linksaf de Heuvelweg op te rijden. Ik zag dat betrokken personenauto tijdens het rijden, om linksaf te slaan, op de linkerrijstrook kwam waar ik reed en hierbij geen richting aangaf met de linker richtingaanwijzer. Ook zag ik dat genoemde personenauto mij afsneed en dat ik hierdoor vol op mijn rem moest trappen. Betrokken personenauto reed vervolgens snel door richting Sijtwendetunnels in de richting van de A4. Ik heb door de verkeersdrukte genoemde personenauto niet meer staande kunnen houden. (…)
Opgaven verbalisant
Merk van voertuig: Volkswagen
Type van voertuig: Golf; Plus TDI 77 KW
Kleur van voertuig: blauw (…)
Op de datum was ik niet in dienst en reed ik in mijn privépersonenauto.
Reden geen staandehouding: personenauto reed snel door naar Heuvelweg richting Sijtwendetunnel richting de A4. Betrokkene was niet bij te houden in verband met drukte overig verkeer.”
17. Het dossier bevat voorts een op 30 juli 2017 op ambtsbelofte opgemaakte aanvullende verklaring van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd en die – voor zover van belang – inhoudt:
“Op vrijdag 25 december 2015 om 15:39 uur bevond ik mij, verbalisant [B] , in mijn privépersonenauto, Citroen C3 voorzien van kenteken [00-YY-00] , op de Weigelia te Leidschendam. Ik stond met mijn personenauto te wachten voor een driekleurig verkeerslicht op de Weigelia om vervolgens linksaf de Heuvelweg op te gaan. Op de genoemde locatie waren er destijds twee stroken om linksaf te slaan. Deze benoem ik als rijstrook 1 en 2. Ik stond op rijstrook 1 te wachten, dit betreft de meest linkerrijstrook. Ik zag dat er op rijstrook 2 een blauwe Volkswagen Golf Plus stond.
Vervolgens zag ik dat het driekleurig verkeerslicht groen uitstraalde en ik begon dan ook te rijden. Ook zag ik dat de blauwe Volkswagen begon te rijden. Op het moment dat ik met mijn personenauto naar links de Heuvelweg op moest rijden, zag ik rechts van mij dat de blauwe Volkswagen snel dichterbij kwam en mijn personenauto bijna raakte. Ook zag ik dat de Volkswagen mijn rijstrook op reed, waardoor ik hard mijn rempedaal moest intrappen om een aanrijding te voorkomen. Ook heb ik diverse malen geclaxonneerd, maar ik zag dat de bestuurder van de Volkswagen hier niet op reageerde. Ik kan mij nog wel herinneren dat het een vrouwelijk bestuurder was, maar kan mij niet meer herinneren of het een oudere of jongere vrouw was.
Vervolgens ben ik direct achter de Volkswagen aangereden om te proberen deze ergens staande te houden. Door de verkeersdrukte op eerder genoemd tijdstip kon ik de Volkswagen niet bijhouden, maar kon nog wel het kenteken zien en heb dit toen genoteerd. Omdat ik geen gegevens had van de bestuurder heb ik alsnog met behulp van mijn diensttelefoon een aankondiging van beschikking opgemaakt met feitcode R517.”
18. Het hof stelt vast dat de betrokkene in het administratief beroepschrift van 22 september 2016 heeft aangevoerd op het moment van de gedraging onderweg te zijn geweest naar een kerstdiner. Zij voert aan op het traject van de Sijtwendetunnels niet van rijstrook te zijn gewisseld. Het gezelschap waarin zij zich bevond, zou hierover kunnen getuigen. Een getuigenverklaring ontbreekt.
19. Het hof ziet in hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van de ambtenaar die heeft geconstateerd dat de gedraging is verricht met het voertuig van de betrokkene. De ambtenaar verklaart dat hij heeft gezien dat de gedraging is verricht met een blauwe Volkswagen Golf Plus, welke voertuigkenmerken door de betrokkene niet zijn betwist en dat hij het kenteken heeft kunnen zien en direct kunnen noteren. Even daarna heeft de ambtenaar de gegevens uit het kentekenregister opgevraagd en de aankondiging van beschikking opgemaakt. Ook volgt uit de verklaring van de ambtenaar dat hij goed zicht had op het betrokken voertuig. Het hof neemt hierbij in overweging dat het verweer van de betrokkene inconsistent is. De verklaring van de betrokkene in administratief beroep wijkt dusdanig af van die in hoger beroep dat sprake is van een niet verklaarbare tegenstrijdigheid. Dat de betrokkene een getuigenverklaring heeft overgelegd, brengt hierin geen verandering. Het hof twijfelt er niet aan dat de ambtenaar heeft kunnen waarnemen dat de richtingaanwijzer niet werd gebruikt en evenmin dat het juiste kenteken is waargenomen en genoteerd.
20. Uit artikel 5 vanPro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Als op dit punt een verweer wordt gevoerd, zal de officier van justitie of de rechter daarop uitdrukkelijk moeten beslissen en zo nodig aan de ambtenaar een nadere toelichting moeten vragen.
21. Uit de verklaringen van de ambtenaar volgt dat hij het betrokken voertuig vanwege verkeersdrukte niet kon bijhouden. Dit betekent dat de ambtenaar geen reële mogelijkheid had om de bestuurder van het voertuig staande te houden en diens identiteit vast te stellen. De sanctie is dan ook terecht met toepassing van artikel 5 vanPro de Wahv aan de kentekenhouder van het voertuig opgelegd.
22. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat op basis van de informatie in het dossier vaststaat dat de gedraging is verricht met het voertuig van de betrokkene en dat daarvoor terecht aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie is opgelegd. Dit betekent dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond is.
23. Het hof begrijpt het verweer van de betrokkene betreffende de duur van de procedure zo dat volgens de betrokkene de redelijke termijn van berechting is geschonden en dat dit aanleiding geeft om de sanctie ongedaan te maken. Het hof overweegt dat in navolging van bestendige rechtspraak van de hoogste bestuursrechters bij arrest van 3 maart 2017 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:GHARL:2017:1777) is geoordeeld dat sprake is van schending van de redelijke termijn van berechting wanneer de procedure in eerste aanleg – inclusief het administratief beroep – langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. Voor het hoger beroep bedraagt de redelijke termijn van berechting eveneens ten hoogste twee jaar. Die termijn gaat in op het moment dat het rechtsmiddel is ingesteld. Bestraffende sancties hoger dan € 1000,- worden bij schending van de redelijke termijn in beginsel gematigd.
24. Bij sancties onder de € 1000,-, zoals de onderhavige, wordt volstaan met de vaststelling dat artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden.
25. In de onderhavige zaak is de redelijke termijn van berechting niet geschonden. Reeds daarom faalt de klacht van de betrokkene op dit punt.
Beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arends, als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.