ECLI:NL:GHARL:2020:5068

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 juli 2020
Publicatiedatum
1 juli 2020
Zaaknummer
Wahv 200.235.674/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WahvArt. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 1 Algemene termijnenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking autogordel wegens onvoldoende bewijs bestuurder

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep van betrokkene tegen een sanctiebeschikking voor het niet correct dragen van een autogordel. De kantonrechter had het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening, maar het hof oordeelde dat het beroepschrift tijdig was ingediend en vernietigde die beslissing.

De sanctie van €140,- was opgelegd omdat betrokkene als bestuurder of passagier de gordel niet droeg volgens de ambtenaar. Uit het dossier bleek echter onvoldoende bewijs dat betrokkene de gordel als bestuurder niet correct droeg. De ambtenaar had verklaard dat de gordel gedeeltelijk achter de rug zat, maar het was niet vastgesteld dat betrokkene bestuurder was.

Het hof vernietigde daarom de sanctiebeschikking en de beslissing van de officier van justitie. Het tot zekerheid gestelde bedrag werd gerestitueerd en de advocaat-generaal werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €918,75. De overige bezwaren behoefden geen bespreking.

Uitkomst: Sanctiebeschikking vernietigd wegens onvoldoende bewijs, proceskosten aan betrokkene toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.235.674/01
CJIB-nummer
: 198330134
Uitspraak d.d.
: 1 juli 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 15 februari 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is R. de Nekker, kantoorhoudende te Heerenveen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld.
2. De gemachtigde stelt dat de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De beroepstermijn eindigde op zaterdag 18 maart 2017, zodat de terpostbezorging op de eerstvolgende maandag (20 maart 2017) tijdig was. De gemachtigde heeft een afgiftebewijs gedateerd 20 maart 2017 overgelegd.
3. Tegen de beslissing van de officier van justitie kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 9, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beslissing aan de betrokkene is toegestuurd.
4. De beslissing van de officier van justitie is op 4 februari 2017 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op zaterdag 18 maart 2017. Op grond van artikel 1 van Pro de Algemene termijnenwet wordt een in een wet gestelde termijn die op zaterdag eindigt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. De beroepstermijn eindigde in dit geval op maandag 20 maart 2017.
5. Het beroepschrift, gedateerd 20 maart 2017, is blijkens het daarop geplaatste stempel op 22 maart 2017 bij de CVOM ontvangen. Blijkens het door de gemachtigde overgelegde verzendbewijs is op 20 maart 2017 om 18.03 uur een poststuk afgegeven aan PostNL. De barcode op het verzendbewijs komt overeen met de barcode op het beroepschrift. De gemachtigde heeft hiermee aannemelijk gemaakt dat het beroepschrift voor het einde van de beroepstermijn ter post is bezorgd. Het beroepschrift is dus tijdig ingediend.
6. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Diens beslissing kan niet in stand blijven. Het hof zal die beslissing daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
7. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Bij die beschikking is aan de betrokkene een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “als bestuurder of passagier geen gebruik maken van een autogordel (feitcode R533)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 26 mei 2016 om 11.48 uur op de Wibautstraat in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
8. De gemachtigde voert onder meer aan dat uit de gegevens in het dossier niet blijkt dat de ambtenaar heeft gezien dat de betrokkene als bestuurder de gordel niet (op de juiste wijze) droeg.
9. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Gedragingsgegevens; de autogordel werd achterlangs gedragen. De autogordel werd niet op voorgeschreven wijze gedragen. (…)
De verbalisant was in burger gekleed en aan de bestuurder werd een geldig politielegitimatiebewijs getoond.
Reden staandehouding: in verband met muldergedraging. (…)
Verklaring betrokkene: ik dacht dat het zo mocht. De wijze zoals ik de autogordel droeg heb ik niet geleerd tijdens mijn autorijlessen.”
10. In het aanvullend proces-verbaal van 29 mei 2018 verklaart de ambtenaar op ambtsbelofte onder meer:
“Tijdens de staandehouding zag ik dat betrokkene de autogordel niet op voorgeschreven wijze droeg. Ik zag tijdens het aanspreken van de betrokkene dat de driepuntsgordel gedeeltelijk tussen de rug van de betrokkene en de rugleuning van de autostoel zat. Alleen het gedeelte van de autogordel wat van de schouder naar de rechterheup liep zat over de borst van de betrokkene. Het gedeelte van de autogordel wat van heup naar heup liep zat tussen de rug van de betrokkene en de rugleuning van de autostoel. Het aanspreken van de betrokkene gebeurt veelal via het geopende rechterportier of rechterportierraam. (…) Door de betrokkene op deze wijze aan te spreken is er goed en onbelemmerd zicht op de autogordel.
Abusievelijk heb ik feitcode R533 gebruikt. In deze situatie is feitcode R535O (de autogordel (…) in een personenauto (…) gebruiken op een wijze die de beschermende werking ervan negatief beïnvloedt of kan beïnvloeden.”
11. Gelijk de gemachtigde heeft betoogd blijkt uit de door de ambtenaar verstrekte gegevens niet dat hij heeft waargenomen dat de betrokkene als bestuurder de gordel niet (op de juiste wijze) droeg. Voor de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat dit het geval is geweest, biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten.
12. Het voorgaande brengt mee dat de inleidende beschikking en -met gegrondverklaring van het beroep daartegen- de beslissing van de officier van justitie vernietigd dienen te worden. De overige bezwaren tegen die beslissingen behoeven geen bespreking. Het tot zekerheid gestelde bedrag moet worden gerestitueerd. .
13. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het indienen van het hoger beroepschrift dient telkens één procespunt te worden toegekend Aan het indienen van een nadere toelichting op het hoger beroepschrift dient een halve punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 918,75.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
vernietigt de inleidende beschikking;
bepaalt dat het tot zekerheid gestelde bedrag door de advocaat-generaal aan de betrokkene wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 918,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat om het arrest te ondertekenen.