De beoordeling
1. Het hof overweegt allereerst dat aan het verzoek van de gemachtigde om de zaak op een zitting van het hof te behandelen geen gevolg wordt gegeven, nu het zittingsverzoek gelet op het bepaalde in artikel 20a, eerste lid, van de Wahv niet tijdig is gedaan.
2. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, op grond van de overweging dat tegen de inleidende beschikking geen gronden zijn aangevoerd.
3. De gemachtigde heeft hiertegen aangevoerd dat in administratief beroep de gedraging is ontkend, dat dit een beroepsgrond oplevert en dat het administratief beroep derhalve niet wegens het ontbreken van gronden niet-ontvankelijk had mogen worden verklaard.
4. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat het bezwaar- of beroepschrift ten minste de gronden van het bezwaar of beroep. Slechts indien een beroepschrift geen gronden bevat, kan dit leiden tot niet-ontvankelijkverklaring op de voet van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb.
5. Het hof stelt op basis van de stukken in het dossier vast dat het administratief beroepschrift van 29 juli 2015 een beroepsgrond bevat, namelijk de ontkenning de gedraging te hebben verricht. De kantonrechter heeft dan ook ten onrechte toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb door het administratief beroep niet-ontvankelijk te verklaren. De beslissing van de kantonrechter kan dan ook niet in stand blijven. Ter beoordeling van het hof staat thans het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie.
6. De gemachtigde heeft in het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie aangevoerd dat het recht om te worden gehoord is geschonden. Het hof stelt vast dat het verzoek daartoe in administratief beroep op juiste wijze is gedaan en zich ook geen andere uitzonderingsgevallen voordoen. Het hof zal op basis van deze grond - in het licht van bestendige, bekende en daarom niet nader te bespreken vaste rechtspraak van het hof op dit punt - het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 104,- voor: “overschrijding maximumsnelheid op autosnelwegen, met 14 km/h (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 juni 2015 om 20:14 uur op de A2 links (trajectcontrole) in Baambrugge met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
8. De gemachtigde voert aan dat het dossier onvoldoende gegevens bevat om de gedraging waarop de beschikking betrekking heeft te individualiseren, zodat de betrokkene onvoldoende in de gelegenheid is gesteld zich tegen de opgelegde sanctie te verweren. Op de A2 zijn meerdere en variabele maximumsnelheden, hetgeen ook blijkt uit een bijgevoegd leaflet van Rijkswaterstaat. Ook ligt aan de opgelegde sanctie geen ondertekend proces-verbaal ten grondslag. Verder wordt bestreden dat te hard is gereden. Uit de stukken blijkt niet de exacte lengte van de trajectcontrole, een berekening van de gemiddelde snelheid ontbreekt en uit de foto’s kan niet worden opgemaakt dat ze behoren bij het zaakoverzicht. Het in het zaakoverzicht genoemde fotofilmnummer staat niet op de foto's en het zaaknummer op de foto's stemt niet overeen met dat in het zaakoverzicht. De gemachtigde voert voorts nog aan dat niet is gebleken dat sprake was van deugdelijke bebording op het traject waarvoor doorgaans, aangezien het een autosnelweg betreft, een hogere maximumsnelheid geldt. Aan de overgelegde schouwrapporten komt geen betekenis toe, nu daaruit niet in afdoende mate blijkt dat de bebording ten tijde van de gedraging voldoende duidelijk was. De schouwrapporten dateren immers van ruim voor en na de gedraging. Geen documenten zijn overgelegd waaruit blijkt dat in de tussengelegen tijd geen wijzigingen hebben plaatsgehad aan de bebording ter plaatse. Bovendien wordt in de processen-verbaal verwezen naar een bijlage, maar daar kan achteraf elke bijlage aan worden toegevoegd.
9. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Anders dan de gemachtigde kennelijk voor ogen heeft, is niet vereist dat een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van de ambtenaar deel uitmaakt van de stukken.
10. Het zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op voorgeschreven wijze gebruikte trajectsnelheidsmeter op basis van factoren tijd en afstand.
Gemeten (afgelezen) snelheid: 118 km per uur.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 114 km per uur.
Toegestane snelheid: 100 km per uur.
Overschrijding met: 14 km per uur. (…)
Ter hoogte van hectometerpaal/pandnummer: 39.7L”
11. In voormelde informatie in het zaakoverzicht kan de exacte locatie van de snelheidsmeting worden afgeleid, namelijk ter hoogte van hectometerpaal 39.7L. Het verweer van de gemachtigde op dit punt faalt.
12. In het dossier bevinden zich verder de foto’s die bij de trajectcontrole zijn gemaakt. Hierop is het voertuig van de betrokkene te zien. Voorts is weergegeven op welke tijdstippen de foto's zijn gemaakt, te weten op 20:13:05.829 en op 20:14:36.561. De gemachtigde stelt in het schrijven van
12 februari 2020 dat hij nog steeds geen duidelijke foto's van de gedraging heeft ontvangen en verzoekt de advocaat-generaal deze alsnog te verstrekken. Nu dit verzoek aan de advocaat-generaal is gericht, ziet het hof geen aanleiding een afschrift van de foto's van de gedraging aan de gemachtigde te verstrekken. Overigens bevindt zich bij de op de zaak betrekking hebben stukken een brief van de officier van justitie van 4 december 2015, waarin de foto's van de gedraging aan de gemachtigde van de betrokkene zijn toegezonden. Dat de gemachtigde de foto's van de gedraging niet heeft ontvangen, kan het hof niet goed rijmen met hetgeen de gemachtigde in zijn schrijven van 10 mei 2017 heeft aangevoerd, te weten dat uit het zaakoverzicht noch uit de foto's van de gedraging de wegafstand die zou zijn gereden valt op te maken en dat uit de foto's niet kan worden opgemaakt dat deze behoren bij het zaakoverzicht in deze zaak.
13. De stelling dat niet blijkt dat deze foto’s behoren bij het zaakoverzicht faalt evenwel. Het zaakoverzicht vermeldt als pv-nummer (proces-verbaal nummer) [00000] . Dit staat voor 20 juni 2015, 20:14 uur en verbalisant nummer [00001] . Hiervoor en voor de in het zaakoverzicht vermelde gegevens omtrent locatie, kenteken, gemeten en toegestane snelheid, geldt dat deze terug te vinden zijn op de foto-opnamen. Geen rechtsregel schrijft voor dat de overige door de gemachtigde genoemde nummers op de foto’s of in het zaakoverzicht moeten worden vermeld en met elkaar moeten corresponderen.
14. Voorts bevinden zich in het dossier twee door de advocaat-generaal overgelegde schouwrapporten d.d. 8 juni 2015 en 29 juni 2015 betreffende een schouw van de bebording van het trajectcontrolesysteem op de A2 links traject Maarssen-Holendrecht, sectie (voor zover hier van belang) HMP in 42.8 uit 39.7. Op basis van deze rapporten kan worden vastgesteld dat de bebording ten tijde van de gedraging in orde was. Het verweer van de gemachtigde geeft het hof geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de bebording ten tijde van de gedraging in orde was. Dat in de tijd tussen de schouwen en het moment van de gedraging wijzigingen hebben plaatsgehad aan de bebording, is door de gemachtigde niet aannemelijk gemaakt.
15. Dat voor wat betreft de aangetroffen borden wordt verwezen naar de bijlagen doet - anders dan de gemachtigde meent - geen afbreuk aan de processen-verbaal van schouw van de trajectcontrole. In de processen-verbaal staat nadrukkelijk aangegeven dat het gaat om bord A1 en maximumsnelheid 100. Het hof heeft geen reden eraan te twijfelen dat de bijgevoegde bijlages bij deze processen-verbaal horen.
16. Bij trajectcontroles kan de gemiddelde snelheid worden vastgesteld met een berekening op basis van de tijdsduur en trajectlengte (vgl. ov. 17 van het arrest van 4 april 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2855, gepubliceerd op rechtspraak.nl). In de onderhavige zaak is op of boven de foto's van de vermeende gedraging niet vermeld wat de (exacte) lengte van het traject is. Ook in het zaakoverzicht ontbreekt deze informatie. 17. De advocaat-generaal heeft echter een NMi-verklaring van 2 juli 2014 overgelegd van de trajectcontrole Rijksweg A2 links (met typegoedkeuringsnummer TP8095), waaruit blijkt dat het traject van hectometerpaal 42.7 tot hectometerpaal 39.7 een lengte heeft van 2981 meter. Het verweer van de gemachtigde dat uit het dossier niet blijkt wat de afgelegde wegafstand is geweest, treft dan ook geen doel.
18. Nu de tijdsduur op de foto's en de trajectlengte in de NMi-verklaring staan vermeld, kan de gereden snelheid worden berekend. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het beroep tegen de inleidende beschikking zal dan ook ongegrond worden verklaard.
19. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).