ECLI:NL:GHARL:2020:5221

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 juli 2020
Publicatiedatum
7 juli 2020
Zaaknummer
Wahv 200.232.927/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6, eerste lid Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens overschrijding beroepstermijn in bestuursstrafzaak

De betrokkene stelde beroep in tegen een bestuursstrafbeschikking, maar dit beroep werd door de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn. De kantonrechter bevestigde deze beslissing. De beschikking was op 14 oktober 2016 aan de betrokkene toegestuurd, waardoor de beroepstermijn op 25 november 2016 eindigde. Het beroepschrift werd pas op 12 januari 2017 ontvangen.

De betrokkene voerde aan de beschikking niet te hebben ontvangen en verwees naar jurisprudentie over bewijslastverdeling. Ook stelde hij dat het CJIB in de praktijk soms een nieuwe beschikking toestuurt indien de eerste niet is ontvangen, wat volgens hem een nieuwe beroepstermijn zou starten. Het hof oordeelde dat het CJIB de bevoegde instantie niet is om over het beroep te beslissen en dat het verzendproces van het CJIB zo is ingericht dat de kans op fouten vrijwel is uitgesloten. De ontvangst van de beschikking werd daarom aangenomen.

Het hof stelde dat de termijn voor het instellen van beroep is aangevangen bij verzending en ontvangst van de beschikking, en dat de overschrijding van de beroepstermijn de betrokkene kan worden toegerekend. De vermeende gangbare praktijk van het CJIB leidt niet tot een nieuwe termijn. Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.232.927/01
CJIB-nummer
: 201937886
Uitspraak d.d.
: 7 juli 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 16 november 2017, betreffende

[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 10 april 2018 is nog een brief ontvangen van de gemachtigde van de betrokkene.

De beoordeling

1. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie juist heeft beslist.
2. Tegen de inleidende beschikking kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beschikking aan de betrokkene is toegestuurd.
3. De inleidende beschikking is op 14 oktober 2016 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 25 november 2016. Het beroepschrift is gedateerd 11 januari 2017. Uit een stempel blijkt dat het op 12 januari 2017 door de officier van justitie is ontvangen.
4. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene de inleidende beschikking niet heeft ontvangen. De bewijslast is onjuist verdeeld. De gemachtigde verwijst in dit verband naar een arrest van de Hoge Raad over boetezaken (ECLI:NLHR:2009:BI0550). Op basis van een juiste bewijslastverdeling kan niet geconcludeerd worden dat de betrokkene de inleidende beschikking heeft ontvangen.
5. Daarnaast is het gangbare praktijk van het CJIB om een nieuwe inleidende beschikking toe te sturen als iemand deze die niet heeft ontvangen en dit na de ontvangst van de eerste aanmaning blijkt. Er wordt geen nieuwe beschikking gestuurd als er beroep is ingesteld. Dit is een ongerechtvaardigd verschil. De betrokkene had achteraf beter geen beroep kunnen instellen en het CJIB om een nieuwe inleidende beschikking kunnen vragen. De kantonrechter is aan deze stelling volledig voorbij gegaan.
6. Het is vaste rechtspraak dat het bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat een beslissing is verstuurd. Dat is van belang voor de vraag wanneer de beroepstermijn start. Als dat aannemelijk is gemaakt en de geadresseerde heeft niet tijdig beroep ingesteld, dan kan aan de orde komen of de overschrijding van de beroepstermijn aan de geadresseerde kan worden toegerekend. Het is dan aan de geadresseerde om op een niet ongeloofwaardige manier te betwisten dat de beslissing is ontvangen. Slaagt dat, dan is het aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het document wel is ontvangen.
7. De verwijzing van de gemachtigde naar het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2009 betreft een boetezaak in een fiscale procedure. De verwijzing gaat niet op. Daarbij wijst het hof er nog op dat de Hoge Raad in het arrest van 5 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1102) om is gegaan en de bewijsregels voor een verschoonbare termijnoverschrijding in een boetezaak in fiscale procedures zijn aangepast.
8. In het zaakoverzicht staat dat de inleidende beschikking op 14 oktober 2016 aan de betrokkene is toegestuurd. Het CJIB verzorgt de verzending. In het arrest van 23 december 2009 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHLEE:2009:BP3020) heeft het hof vastgesteld dat het verzendproces zo is ingericht, dat de kans op fouten vrijwel is uitgesloten. Daarom mag op basis van het zaakoverzicht worden aangenomen dat deze beschikking daadwerkelijk is verstuurd.
9. De betrokkene heeft ontkend de inleidende beschikking te hebben ontvangen. Dat is onvoldoende om de ontvangst te weerleggen. Uit de stukken blijkt ook niet dat de beschikking als onbestelbaar retour is gekomen. Daarom wordt ervan uitgegaan dat de betrokkene deze wel heeft ontvangen. Dit brengt mee dat het beroep tegen de inleidende beschikking niet tijdig is ingesteld.
10. Artikel 6:11 van Pro de Awb bepaalt – kort gezegd – dat een te laat ingesteld beroep tóch ontvankelijk kan zijn, wanneer het de betrokkene niet kan worden toegerekend dat te laat beroep is ingesteld.
11. De gemachtigde heeft in de procedure bij de kantonrechter ter onderbouwing van zijn verweer schermafbeeldingen van een Whatsappgesprek overgelegd. In een gesprek met kennelijk medewerkers van het CJIB wordt gezegd dat het over het algemeen gangbare praktijk is om de beschikking opnieuw te sturen als mensen aangeven niet eerst de beschikking te hebben ontvangen maar meteen een aanmaning en dat dit per zaak wordt beoordeeld.
12. Dat bij het CJIB mogelijk een gangbare praktijk bestaat om een inleidende beschikking in bepaalde gevallen opnieuw toe te sturen, brengt niet mee dat de termijnoverschrijding in deze zaak de betrokkene niet kan worden toegerekend. Wat er verder ook zij van de werkwijze van het CJIB, in een geval als dit, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de inleidende beschikking daadwerkelijk is verstuurd en ontvangen, is de beroepstermijn daarmee aangevangen. Het standpunt van de gemachtigde impliceert dat bij het versturen van een nieuwe inleidende beschikking door het CJIB een nieuwe termijn voor het instellen van administratief beroep aanvangt. Voor zover door het opnieuw versturen van een inleidende beschikking de indruk zou ontstaan dat alsnog tijdig beroep ingesteld kan worden tegen de inleidende beschikking, merkt het hof op dat de officier van justitie de bevoegde instantie is om te beslissen op het beroep en niet het CJIB. Aan een dergelijke mededeling van een ter zake niet-bevoegde instantie, komt niet het door de gemachtigde gewenste gevolg toe. Dit betekent dat er geen sprake is van verschillende situaties zoals door de gemachtigde beschreven, die een ongerechtvaardigd verschil opleveren.
13. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Gegeven deze beslissing is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.