ECLI:NL:GHARL:2020:5223

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 juli 2020
Publicatiedatum
7 juli 2020
Zaaknummer
Wahv 200.226.589/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging boete wegens onvoldoende bewijs van bebording bij snelheidsovertreding binnen bebouwde kom

In hoger beroep tegen een boete voor het overschrijden van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom, heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de beslissing van de kantonrechter vernietigd. De betrokkene werd beboet voor een snelheidsovertreding van 12 km/u op 21 september 2016 te Hilversum. De betrokkene voerde aan dat de vereiste bebording op de toegangsweg niet aanwezig was, wat essentieel is om de overtreding vast te stellen.

Het hof overwoog dat voor het vaststellen van de overtreding moet blijken dat de toegangsweg van een deugdelijk bebouwde kom-bord was voorzien. De gemachtigde van de betrokkene stelde dat deze bebording op de betreffende locatie ontbrak. Het openbaar ministerie kon dit niet weerleggen met een proces-verbaal of schouwrapport. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat de overtreding binnen de bebouwde kom had plaatsgevonden.

Het hof verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de beschikking en de beslissing van de officier van justitie, en bepaalde dat de door de betrokkene gestelde zekerheid wordt gerestitueerd. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 787,50.

Uitkomst: Boete voor snelheidsovertreding binnen bebouwde kom wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van aanwezigheid bebording.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.226.589/01
CJIB-nummer
: 201670613
Uitspraak d.d.
: 7 juli 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 25 september 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 7 februari 2020 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Naar aanleiding van het tussenarrest heeft de gemachtigde bij faxbericht van 11 februari 2020 laten weten geen gebruik te willen maken van de gelegenheid om te worden gehoord op een zitting van het hof. In dit faxbericht heeft de gemachtigde een nader standpunt ingenomen. De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.
De advocaat-generaal heeft op 5 juni 2020 nadere informatie toegestuurd. Deze is in afschrift naar de gemachtigde verzonden.

De beoordeling

1. Gelet op de inhoud van het tussenarrest, waarin is overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat de gemachtigde behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter, zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen. Thans ligt de beslissing van de officier van justitie ter beoordeling voor.
2. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 112,- voor: “overschrijding maximum snelheid binnen de bebouwde kom, met 12 km/h ”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 september 2016 om 17:47 uur op het Oostereind te Hilversum met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] . De officier van justitie heeft het beroep tegen deze beschikking ongegrond verklaard.
3. De gemachtigde heeft betoogd dat de bebording enkele honderden meters voor de pleeglocatie op het Oostereind te Hilversum ten tijde van de gedraging - anders dan dat normaliter het geval is – niet aanwezig was.
4. Het betreft een gedraging waarvoor noodzakelijk is dat kan worden vastgesteld dat deze is verricht binnen de bebouwde kom. Iedere voor motorvoertuigen openstaande toegangsweg waarlangs de bebouwde kom kan worden bereikt, moet van een bord H1 (bebouwde kom) zijn voorzien. Het kan daarbij gaan om een aanzienlijk aantal verkeersborden. Om te kunnen vaststellen dat de gedraging is verricht, is niet noodzakelijk dat de aanwezigheid van alle borden wordt vastgesteld. Voldoende is dat de toegangsweg waarlangs de bestuurder van het voertuig de zone is ingereden, van een deugdelijk bord is voorzien (vgl. het arrest van het hof van 28 februari 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: 2020:1803).
5. De gemachtigde geeft in dit geval aan waar de bebording op de door de betrokkene afgelegde route aanwezig had moeten zijn, te weten op de Oostereind enkele honderden meters voor de pleeglocatie. Ten tijde van het vaststellen van de gedraging was de bebording volgens de gemachtigde ter plaatse echter niet aanwezig. Nu de gemachtigde betwist dat de juiste bebording ten tijde van de gedraging aanwezig was, terwijl de aanwezigheid daarvan cruciaal is om de gedraging vast te kunnen stellen, ligt het op de weg van het openbaar ministerie om dit verweer te weerleggen met een proces-verbaal of een schouwrapport.
6. De griffier van het hof heeft de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld om te reageren op dit bij faxbericht van 11 februari 2020 ingebrachte standpunt. De advocaat-generaal heeft deze informatie niet verstrekt.
7. Het verweer slaagt. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ten onrechte ongegrond verklaard. Gelet op de hierna te melden beslissing van het hof, is bespreking van de overige verweren van de gemachtigde overbodig.
8. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de officier van justitie, bij de kantonrechter en in hoger beroep dienen in totaal drie procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 787,50.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 787,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.