ECLI:NL:GHARL:2020:5228

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 maart 2020
Publicatiedatum
7 juli 2020
Zaaknummer
19/00208
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 52 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 52a Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging informatiebeschikking inzake administratie- en bewaarplicht belastingjaren 2012-2014

Belanghebbenden zijn in hoger beroep gegaan tegen een informatiebeschikking van de Inspecteur van de Belastingdienst, die was opgelegd wegens het niet voldoen aan de administratie- en bewaarplicht voor de jaren 2012 tot en met 2014. De rechtbank Gelderland had het beroep ongegrond verklaard, waarna belanghebbenden het hof verzochten de uitspraak te herzien.

Tijdens de zitting op 13 maart 2020 bereikten partijen een compromis. Belanghebbenden erkenden een betalingsverplichting van € 45.000 en spraken af dat de Inspecteur geen navorderingsaanslagen zou opleggen voor de jaren 2015 tot en met 2017. Tevens werden afspraken gemaakt over de toekomstige naleving van de administratie- en bewaarplicht.

Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde dat de informatiebeschikking formeel in stand blijft, maar dat de Inspecteur deze niet zal effectueren gezien de gemaakte afspraken. Er werd geen vergoeding van griffierecht toegekend en geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd op 27 maart 2020 in het openbaar gedaan.

Uitkomst: Het hof bevestigt de rechtbankuitspraak en bekrachtigt de informatiebeschikking met een compromis over betaling en naleving.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer 19/00208
uitspraakdatum: 27 maart 2020
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]te [Z] (hierna: belanghebbenden)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 januari 2019, nummer AWB 18/362, ECLI:NL:RBGEL:2019:63 in het geding tussen belanghebbenden en

de inspecteur van de Belastingdienst, Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

betreffende de aan belanghebbenden opgelegde informatiebeschikking wegens het niet voldoen aan de administratie- en bewaarplicht als bedoeld in artikel 52 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Procesverloop

De Inspecteur heeft op de voet van artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een informatiebeschikking gegeven met betrekking tot de aan belanghebbenden op te leggen belastingaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2012 tot en met 2014 en omzetbelasting over de periode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar afgewezen.
Belanghebbenden zijn tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2020 te Arnhem.
Daarbij zijn verschenen en gehoord [A] , namens belanghebbenden, en [B] , als de gemachtigde van belanghebbenden, alsmede namens de Inspecteur, [C] , [D] en [E] .
Na afloop van de zitting heeft het Hof op 27 maart 2020 uitspraak gedaan.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Overwegingen

1. Tijdens de zitting hebben partijen uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk verklaard overeenstemming te hebben bereikt over de wijze waarop het geschil moet worden beëindigd.
2. Partijen overeengekomen dat belanghebbenden een in totaal te betalen bedrag van € 45.000 zijn verschuldigd.
3. Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat door de Inspecteur niet door middel van mogelijk op te leggen navorderingsaanslagen zal worden teruggekomen op de onherroepelijk vaststaande aanslagen over de jaren 2015, 2016 en 2017.
4. Ten slotte hebben partijen overeenstemming bereikt over de wijze waarop belanghebbenden invulling zullen geven aan de op hen rustende administratie- en bewaarplicht. De daarover gemaakte afspraken zijn als bijlage aan dit proces‑verbaal gehecht.
5. Het voorgaande betekent dat de informatiebeschikking weliswaar in stand blijft, maar dat de Inspecteur daar, gelet op de tussen partijen bereikte overeenstemming, geen opvolging aan zal geven.
6. Er zijn geen redenen aanwezig om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbenden het door hen betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoed.
7. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
8. De slotsom is dat moet worden beslist als bovenvermeld.
Aldus gedaan door mr. drs. M.J.C. Pieterse, voorzitter, mr drs. P. Fortuin en mr. drs. J. Bogert, in tegenwoordigheid van S.B.A. Vriens, als griffier.
De beslissing is op 27 maart 2020 in het openbaar uitgesproken.
De griffier is verhinderd dit proces-verbaal te ondertekenen.
De voorzitter,
(M.J.C. Pieterse)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 27 maart 2020.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH DEN HAAG.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.