ECLI:NL:GHARL:2020:5303

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 juli 2020
Publicatiedatum
8 juli 2020
Zaaknummer
Wahv 200.261.524
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 WahvArt. 12 WahvArt. 13 WahvArt. 20d lid 1 WahvArt. 62 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen parkeerboete zonder geldig verkeersbesluit afgewezen

De betrokkene stelde in hoger beroep dat er geen proces-verbaal was opgemaakt van de zitting bij de kantonrechter, wat het hof bevestigde en de beslissing van de kantonrechter vernietigde. Vervolgens beoordeelde het hof het beroep tegen de opgelegde sanctie wegens parkeren in strijd met een parkeerverbod op het Wouter Hollemanplein in Eindhoven.

De betrokkene voerde aan dat er geen geldig verkeersbesluit bestond dat het parkeerverbod ondersteunde, mede op basis van een Wob-verzoek aan de gemeente Eindhoven. De gemeente kon echter geen dergelijk besluit overleggen. De Hoge Raad oordeelde echter dat het ontbreken van een correcte plaatsing van het verkeersbord geen reden is om een sanctie te matigen of achterwege te laten.

Daarnaast stelde de betrokkene dat er sprake was van parkeerschaarste en dat hij niemand hinderde, maar het hof oordeelde dat deze omstandigheden geen reden zijn om de sanctie te matigen of te laten vervallen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de parkeerboete wordt afgewezen en de sanctie blijft gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.261.524/01
CJIB-nummer
: 212933514
Uitspraak d.d.
: 8 juli 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Oost-Brabant van 7 maart 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. Dit verzoek is nadien ingetrokken.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd dat van het verhandelde ter zitting van de kantonrechter geen proces-verbaal is opgemaakt. De gemachtigde verwijst in dit verband naar het arrest van het hof van 31 maart 2016 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:2589).
2. Zoals het hof in voormeld arrest heeft bepaald moet uit het derde lid van artikel 13 van Pro de Wahv, in verband met het tweede lid van dat artikel en artikel 12 van Pro die wet worden afgeleid dat van elke zitting die krachtens de Wahv wordt gehouden, een proces-verbaal behoort te worden opgemaakt. Bij de stukken bevindt zich geen proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter op
7 maart 2019, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit niet is opgemaakt.
3. Het hof stelt vast dat er is gehandeld in strijd met artikel 13, tweede en derde lid van de Wahv juncto artikel 12 van Pro de Wahv. Het verweer van de gemachtigde treft derhalve doel. Het voorgaande brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen. Het hof zal vervolgens het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
4. De gemachtigde heeft in het hoger beroepschrift vervolgens gronden uiteengezet tegen de inleidende beschikking die er - naar het hof begrijpt - toe moeten leiden dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond wordt geacht.
5. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “parkeren in strijd met het parkeerverbod/parkeerverbodszone (bord E1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 5 december 2017 om 20:09 uur op het Wouter Hollemanplein in Eindhoven met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .
6. Door de gemachtigde wordt gesteld dat een deugdelijke wettelijke grondslag voor de ter plaatse aanwezige bebording ontbreekt. De gemachtigde heeft in dit verband door middel van een aan de gemeente Eindhoven gerichte brief van 10 september 2019 op grond van de Wob een verzoek gedaan tot openbaarmaking van het verkeersbesluit dat aan de op het Wouter Hollemanplein te Eindhoven geldende bebording ten grondslag ligt. Hierop heeft het hoofd afdeling Verkeer, Milieu en Duurzaamheid namens het college van Burgemeester en Wethouders van Eindhoven bij brief van
11 november 2019 laten weten dat na onderzoek een dergelijk document niet is aangetroffen, zodat niet tot openbaarmaking van bedoelde informatie kan worden besloten. Bij het ontbreken van het verkeersbesluit kan de inleidende beschikking volgens de gemachtigde niet in stand blijven en
hij verwijst daartoe naar het arrest van het hof van 28 januari 2019, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2019:701.
7. Aan de betrokkene wordt verweten dat hij geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een verbod inhoudt (artikel 62 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)). Gelet op de informatie in het dossier en het gegeven dat de gedraging door de gemachtigde niet wordt betwist, staat vast dat de gedraging is verricht.
8. Op grond van artikel 9, lid 2, aanhef en onder b, en artikel 20d, lid 1, van de Wahv kan de rechter een beschikking waarbij een administratieve sanctie is opgelegd, vernietigen indien naar zijn oordeel de officier van justitie had moeten beslissen dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken.
9. Het hof stelt vast dat niet is gebleken van een ten tijde van het constateren van de gedraging geldend verkeersbesluit met betrekking tot een parkeerverbod/parkeerverbodszone op het Wouter Hollemanplein te Eindhoven.
10. De Hoge raad heeft bij uitspraak van 16 juni 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2020:1055, anders dan het hof eerder oordeelde, bepaald dat de omstandigheid dat een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, niet met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke voorschriften is geplaatst, niet kan worden aangemerkt als een omstandigheid als bedoeld in artikel 9 lid Pro 2, aanhef en onder b, Wahv, dat wil zeggen noch als een omstandigheid waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, noch als een omstandigheid waarin de betrokkene verkeert. Het verweer faalt.
11. De gemachtigde heeft verder aangevoerd dat het op de avond dat de gedraging werd vastgesteld een drukte in de wijk was in verband met het Sinterklaasfeest. De betrokkene is die dag tijdig naar huis vertrokken om op zoek te gaan naar een geschikte parkeermogelijkheid op gepaste
afstand van zijn woning, maar is daar niet in geslaagd. De betrokkene heeft zich aldus voldoende ingespannen, aldus de gemachtigde. Er is in die wijk bovendien sprake van een structurele parkeerschaarste. Tot slot heeft de betrokkene niemand gehinderd met zijn wijze van parkeren.
12. Hetgeen de gemachtigde naar voren brengt met betrekking tot de vastgestelde gedraging is door hem in de context van de verwijtbaarheid van de gedraging geplaatst. Het hof merkt op dat verwijtbaarheid bij het verrichten van een gedraging als de onderhavige geen voorwaarde is voor de oplegging van een sanctie. Ook wanneer een gedraging niet opzettelijk wordt verricht, kan daarvoor een sanctie worden opgelegd. Wel kan in uitzonderlijke gevallen aanleiding bestaan om, gelet op artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv, te oordelen dat de gedraging onder zodanige omstandigheden heeft plaatsgevonden, dat deze het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel dat de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert matiging van het bedrag van de sanctie rechtvaardigen.
13. De omstandigheid dat er in de wijk sprake is van structurele parkeerschaarste en dat er ook om die reden - toen de betrokkene zijn voertuig ter plaatse parkeerde - geen vrije parkeerplaatsen aanwezig zouden zijn geweest, geeft geen aanleiding om een sanctie achterwege te laten of het bedrag te matigen. Het ligt in zodanig geval op de weg van de betrokkene om elders een parkeerplaats te zoeken. Ook als dit zou betekenen dat de betrokkene op zoek zou moeten gaan naar een parkeerplaats op grotere afstand van de woning. De omstandigheid dat het handelen van de betrokkene in de visie van de gemachtigde niet hinderlijk was, geeft eveneens geen aanleiding tot het achterwege laten van een sanctie of het matigen van het bedrag. De mogelijkheid tot oplegging van een sanctie als de onderhavige is door de regelgever niet afhankelijk gesteld van het veroorzaken van hinder.
14. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).
15. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.