De verdachte werd in hoger beroep geconfronteerd met vier ten laste gelegde feiten van woninginbraak, poging daartoe en insluiping, gepleegd in de nacht van 25 op 26 augustus 2019. De rechtbank had hem veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, met aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis, en verklaarde de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk.
Het hof bevestigde de bewezenverklaring van de feiten en oordeelde dat de rechtbank op juiste gronden had beslist, maar vernietigde de strafoplegging en vulde de motivering aan. Het hof constateerde onduidelijkheden in het bewijs omtrent de inhoud van een aangetroffen rugtas en voegde aanvullend proces-verbaal toe.
Gezien de ernst van de feiten, het onverbeterlijke karakter van de verdachte die circa dertig woninginbraken op zijn naam heeft en zich in proeftijd bevond, achtte het hof een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De straf van achttien maanden is conform de vordering van de advocaat-generaal.
Een verzoek tot aanhouding van de zaak wegens een lopende verblijfsprocedure werd afgewezen omdat het hof geen ruimte zag voor een voorwaardelijke straf. De tijd in voorlopige hechtenis wordt in mindering gebracht op de opgelegde straf.
Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 8 juli 2020.