ECLI:NL:GHARL:2020:5374

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 juli 2020
Publicatiedatum
10 juli 2020
Zaaknummer
Wahv 200.254.469/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 lid 4 RVV 1990Art. 91 lid 5 RVV 1990Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie parkeren buiten parkeervak ondanks vrijstelling voor spoedeisende werkzaamheden

De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd voor het parkeren buiten een parkeervak op 22 juni 2017 in Eindhoven. Hij voerde aan dat hij als medisch chauffeur piketdienst had en een vrijstelling bezat om zijn voertuig te parkeren waar nodig vanwege spoedritten.

Hoewel de betrokkene kon aantonen dat hij oproepbaar was en een vrijstelling had, was deze vrijstelling ten tijde van de overtreding ingetrokken en vervangen door een nieuwe beschikking die het gebruik van de vrijstelling beperkte tot werkzaamheden die zonder vrijstelling redelijkerwijs niet konden worden uitgevoerd.

Het hof oordeelde dat de betrokkene onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het parkeren buiten het parkeervak noodzakelijk was om zijn werkzaamheden uit te voeren, aangezien hij 25 meter had moeten lopen van een reguliere parkeerplaats. Het feit dat het voertuig geen hinder veroorzaakte, was geen reden om de sanctie te matigen of achterwege te laten.

Daarom bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter en handhaafde de opgelegde sanctie van €90. De procedure werd schriftelijk gevoerd, waarbij de betrokkene geen gebruik maakte van de mogelijkheid tot nadere toelichting.

Uitkomst: De sanctie van €90 wegens parkeren buiten een parkeervak wordt bevestigd; de vrijstelling geldt niet.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.254.469/01
CJIB-nummer
: 209026860
Uitspraak d.d.
: 10 juli 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Oost-Brabant van 14 november 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als bestuurder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van
€ 90,- voor: “parkeren buiten parkeervak bij één van de borden E4 tot en met E10, E12 of E13 v/d bijlage I van het RVV 1990”. Deze gedraging zou zijn verricht op 22 juni 2017 om 14.51 uur op de Kruisstraat in Eindhoven met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] . Het betreft hier een overtreding van artikel 24, vierde lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).
2. De betrokkene voert aan dat hij op de bewuste dag piketdienst had als medisch chauffeur van Sanquin Bloedvoorzieningen en gedurende zeven dagen vierentwintig uur per dag oproepbaar moest zijn voor spoedritten A1 met optische- en geluidssignalen of A2 ritten. Hij moet dan met spoed weg en kan niet nog eens 25 meter lopen naar de auto die verderop staat geparkeerd. Hij heeft een vrijstelling (op basis van het RVV 1990 voor voorrangsvoertuigen) om de auto te parkeren waarbij hij niemand lastig valt of hindert. De betrokkene was bij een kennis in een fair play zaak een kop koffie aan het drinken, maar kon elk moment een oproep krijgen en had dan direct weggemoeten. De parkeerplekken waren bij plaatsing vol. Daarom heeft hij zijn voertuig recht tegenover de bakker en het bewuste pand geparkeerd, waar niemand er last van had.
3. De betrokkene ontkent niet zijn voertuig buiten een parkeervak te hebben geplaatst. Mede gelet op de gegevens in het zaakoverzicht stelt het hof dan ook vast dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof, gelet op het gevoerde verweer, te beoordelen of er andere redenen zijn om een sanctie achterwege te laten of om het bedrag van de sanctie te matigen.
4. Eerder in de procedure heeft de betrokkene een op 3 november 2014 gedateerde beschikking houdende vrijstelling van bepalingen van het RVV 1990 en de Regeling voertuigen, ten behoeve van de brandweer en diensten voor spoedeisende medische hulpverleningsdiensten toegestuurd. Verder heeft de betrokkene een foto van het betreffende voertuig toegestuurd. Hierop is een voertuig met voornoemd kenteken te zien. Te zien is dat het voertuig is voorzien van rood-witte striping en blauwe zwaailichten. Verder bevindt zich in het dossier een kopie van wat een vrijstelling lijkt. Hierop staat onder meer ‘ambulance’ en het logo van Sanquin Bloedvoorziening. Verder staat er ‘Algemene landelijke vrijstelling RVV artikel 91, §5 Voorrangsvoertuigen’.
5. Het hof wijst erop dat de vrijstelling die de betrokkene heeft meegestuurd ten tijde van de gedraging al was ingetrokken en vervangen door de beschikking van 6 juni 2016. Ook in deze beschikking is vrijstelling verleend voor het bepaalde in artikel 24 RVV Pro 1990. Het gebruik van de vrijstelling wordt echter, voor zover hier van belang, beperkt tot werkzaamheden, die zonder gebruikmaking van de vrijstelling redelijkerwijs niet kunnen worden uitgevoerd.
6. Dat de betrokkene piketdienst had en oproepbaar moest zijn op het moment van de gedraging, wil het hof wel aannemen. De vraag die voorligt is of de onderhavige situatie valt onder de vrijstelling. Naar oordeel van het hof is dit niet het geval. Het hof leidt uit het hoger beroepschrift van de betrokkene af dat hij bij het parkeren op een nabij gelegen parkeerplaats 25 meter had moeten lopen. Weliswaar is het begrijpelijk dat de betrokkene in het geval van een oproep voor een spoedrit zo snel mogelijk bij zijn voertuig wil zijn, maar de betrokkene heeft evenwel onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij bij een dergelijk afstand zijn werkzaamheden zonder gebruikmaking van de vrijstelling redelijkerwijs niet zou kunnen uitvoeren.
7. Uit het voorgaande volgt dat de betrokkene geen beroep op de vrijstelling toekomt. Het hof ziet in de omschreven omstandigheid ook geen reden op grond waarvan een sanctie gematigd of achterwege moet blijven. Dat het voertuig geen hinder heeft veroorzaakt, geeft hiertoe evenmin aanleiding, omdat de wetgever de mogelijkheid van het opleggen van een sanctie niet afhankelijk heeft gesteld van het al dan niet ontstaan van hinder.
8. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.