ECLI:NL:GHARL:2020:5382

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 juli 2020
Publicatiedatum
10 juli 2020
Zaaknummer
Wahv 200.264.180/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WVW 1994Art. 3 lid 2 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor hinderlijk parkeren boven ondergrondse afvalcontainer

De betrokkene kreeg een administratieve sanctie van €140 opgelegd wegens het parkeren van zijn voertuig deels boven een ondergrondse afvalcontainer, waardoor het verkeer, in dit geval een vuilniswagen, gehinderd kon worden. De overtreding vond plaats op 23 november 2018 te Eindhoven.

De betrokkene voerde aan dat de situatie ter plaatse onduidelijk was en dat er geen sprake was van daadwerkelijke hinder, omdat de vuilniswagen de container niet hoefde te legen op dat moment. Ook wees hij op het ontbreken van een duidelijk parkeerverbod en de latere plaatsing van een bloembak die parkeren onmogelijk maakte.

Het hof oordeelde dat het parkeren boven de container voldoende was om de hinder vast te stellen, ongeacht of er op dat moment daadwerkelijk hinder ontstond. Het ontbreken van een parkeerverbod was niet relevant, omdat de overtreding bestond uit het veroorzaken van mogelijke hinder. De latere aanpassing van de situatie met een bloembak was eveneens niet doorslaggevend. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter die het beroep ongegrond verklaarde.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €140 voor het hinderen van verkeer door parkeren boven een ondergrondse afvalcontainer.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.264.180/01
CJIB-nummer
: 221701134
Uitspraak d.d.
: 10 juli 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Oost-Brabant van 9 mei 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
Op 10 oktober 2019 is een aanvullend schrijven van de betrokkene ontvangen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 140,- opgelegd voor: “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”. Deze gedraging zou zijn verricht op
23 november 2018 om 13:48 uur op de Stratumsedijk te Eindhoven met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
2. De betrokkene voert aan dat onvoldoende duidelijk is aangegeven dat ter plaatse niet geparkeerd mag worden. De aangebrachte belijning vindt hij daartoe onvoldoende. Volgens informatie van de gemeente Eindhoven zijn in de laatste 12 maanden 2618 boetes uitgeschreven op deze locatie. Dat zoveel bestuurders zich vergissen, bevestigt zijn beeld dat de situatie ter plaatse onduidelijk is. Daarnaast voert de betrokkene aan dat geen sprake was van gevaar. Van hinder zou alleen sprake zijn geweest als de vuilcontainer geleegd moest worden. Wanneer dat gebeurt, is niet aangegeven. Tot slot merkt de betrokkene op dat op de pleeglocatie inmiddels een bloembak is geplaatst. Hierdoor is parkeren ter plaatse onmogelijk geworden.
3. De betrokkene verweten gedraging betreft een overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW1994), dat luidt: "Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd."
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Gedragingsgegevens: (…) voertuig staat buiten de vakken bij vuilcontainers waar voetgangers aan gevaar bloot worden gesteld. (…)
Opmerkingen ambtenaar: Ik, (…), zag dat het betrokken voertuig (…) op een zodanige wijze geparkeerd stond/gestald stond, waardoor op de weg gevaar wordt/kan worden veroorzaakt, dan wel het verkeer wordt/kan worden gehinderd. Ik, (…), zag geen laad en losactiviteiten rondom het voertuig. Ik, (…), hield 10 minuten toezicht rondom het betrokken voertuig.”
6. Het dossier bevat, naast voornoemd zaakoverzicht, een aanvullend proces-verbaal van
8 maart 2019. In dit proces-verbaal verklaart de ambtenaar - voor zover hier relevant - het volgende:
“Het voertuig stond zodanig geparkeerd dat de ondergrondse containers niet geleegd konden worden. De parkeervakken waar men wel mag parkeren, zijn duidelijk aangegeven door de aanwezige belijning. (…) U vraagt mij, waaruit de hinder bestaat: de ondergrondse containers kunnen door het parkeergedrag van betrokken voertuig niet geledigd worden.”
7. Bij dit proces-verbaal heeft de ambtenaar een afschrift van het door hem ondertekende brondocument gevoegd en tevens foto’s die hij ter plaatse heeft gemaakt. De betrokkene heeft eerder in de procedure eveneens foto’s van de situatie ter plaatse bij zijn beroepschrift gevoegd.
8. Uit de verklaringen van de ambtenaar en uit de door hem en de door de betrokkene overgelegde foto’s blijkt genoegzaam dat het neerzetten van de auto ter plaatse hinder voor het overige verkeer kan opleveren. Het hof stelt vast dat de betrokkene zijn voertuig op het trottoir heeft geparkeerd terwijl de achterzijde van dat voertuig zich boven een ondergrondse container bevindt. Door deze wijze van parkeren wordt de vuilniswagen overduidelijk belemmerd bij het legen van de container. Dat er ten tijde van de gedraging niet daadwerkelijk hinder is ontstaan, is voor de vaststelling van de gedraging niet van belang, nu reeds een sanctie kan worden opgelegd indien het verkeer kan worden gehinderd. Voor zover de betrokkene aanvoert dat hij niet bekend was met het parkeerverbod ter plaatse, merkt het hof op dat dit hem niet kan baten. De betrokkene wordt namelijk niet verweten in strijd te hebben gehandeld met een parkeerverbod. Evenmin wordt hem verweten dat hij buiten een parkeervak heeft geparkeerd. De omstandigheid dat de gemeente op een later moment ter plaatse een bloembak heeft geplaatst waardoor parkeren onmogelijk is geworden, betekent niet zonder meer dat de situatie ten tijde van de gedraging te onduidelijk was. Naar het oordeel van het hof is dan ook komen vast te staan dat de gedraging is verricht, terwijl niet is gebleken van omstandigheden die aanleiding geven tot het achterwege laten van de opgelegde sanctie of matiging van het bedrag van die sanctie.
9. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal die beslissing daarom bevestigen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van Swart als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.