De terbeschikkinggestelde is in hoger beroep gegaan tegen de verlenging van zijn terbeschikkingstelling door de rechtbank Gelderland. De maatregel is opgelegd wegens een geweldsdelict gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam, zoals bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De verdediging stelde dat de terbeschikkingstelling gemaximeerd had moeten zijn tot vier jaar, omdat het onderliggende delict niet voorzag in een ongemaximeerde duur. Het hof overweegt dat volgens het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en eerdere jurisprudentie de verlengingsrechter niet bevoegd is om de gemaximeerdheid van de maatregel opnieuw te beoordelen. De rechtbank heeft in 2013 terecht geoordeeld dat het ging om een misdrijf dat een ongemaximeerde terbeschikkingstelling rechtvaardigt.
De terbeschikkinggestelde kampt met meerdere stoornissen en een hoog recidivegevaar. Gezien de adviezen van de kliniek en de ernst van de situatie acht het hof verlenging noodzakelijk. Hoewel het uitgangspunt is om met twee jaren te verlengen, wordt hier afgeweken en wordt de maatregel met één jaar verlengd om de mogelijkheden voor een passende vervolgplek en zorgmachtiging te onderzoeken.
Verzoeken tot het onderzoeken van een zorgmachtiging op grond van de Wvggz en een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging worden afgewezen wegens gebrek aan noodzaak. De beslissing van de rechtbank wordt vernietigd en de terbeschikkingstelling wordt met één jaar verlengd.