ECLI:NL:GHARL:2020:54

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 januari 2020
Publicatiedatum
6 januari 2020
Zaaknummer
Wahv 200.238.547/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctie wegens ontbreken reële mogelijkheid tot staandehouding

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het niet volgen van de voorsorteerstrook op een kruispunt. De officier van justitie verklaarde het administratief beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van ingediende gronden. Het hof stelde vast dat de gemachtigde weliswaar een brief zou hebben verzonden, maar dat de inhoud hiervan niet kon worden vastgesteld en dat de gronden tot de hoorzitting konden worden aangevuld.

Het hof oordeelde dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard, omdat de gemachtigde tot de hoorzitting op 19 december 2017 de gronden had kunnen indienen. Vervolgens beoordeelde het hof de sanctie zelf en concludeerde dat de verklaring van de ambtenaar dat het voertuig doorreed onvoldoende was om te concluderen dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was.

Daarmee was de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder opgelegd. Het hof vernietigde de beschikking en bepaalde dat de zekerheidstelling aan de betrokkene moest worden gerestitueerd. Tevens veroordeelde het hof de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van € 787,50.

Uitkomst: De sanctie is vernietigd wegens het ontbreken van een reële mogelijkheid tot staandehouding en de proceskosten zijn aan de betrokkene toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.238.547/01
CJIB-nummer
: 208775019
Uitspraak d.d.
: 6 januari 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 10 april 2018, betreffende

[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De officier van justitie heeft het administratief beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat de gemachtigde geen gronden heeft ingediend. De officier van justitie heeft hiertoe overwogen dat de gemachtigde de gronden had kunnen aanvoeren of aanvullen tijdens het horen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie juist heeft beslist.
2. De gemachtigde voert hiertegen aan dat de officier van justitie ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen gronden zijn ingediend. De gemachtigde heeft namelijk bij brief van 6 november 2017 de gronden ingediend. Bovendien hadden de gronden tijdens de hoorzitting kunnen worden ingediend. De officier van justitie heeft ten onrechte afgezien van een hoorzitting. De gemachtigde heeft verzocht in persoon te worden gehoord en heeft niet aangegeven dat hij enkel op het 084-nummer bereikbaar is.
3. Het hof stelt vast dat het beroepschrift van 2 augustus 2017 geen gronden bevat. De officier van justitie heeft de gemachtigde bij brief van 25 augustus 2017 in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen binnen vier weken na dagtekening van de brief. Daarnaast heeft de officier van justitie de gemachtigde bij brief van 28 augustus 2017 verzocht middels het meegestuurde antwoordformulier aan te geven of hij op 7 november 2017 in persoon of telefonisch wil worden gehoord. Bij brief van 8 september 2017 heeft de gemachtigde verzocht om uitstel voor het indienen van gronden. Bij brief van 19 september 2017 wordt de gemachtigde uitgenodigd voor de hoorzitting van 7 november 2017. In deze brief is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld: ‘In uw beroepschrift heeft u aangegeven dat u de gronden van het beroep op een later moment wenst aan te vullen. U krijgt hiervoor tijdens het horen de gelegenheid.’ De gemachtigde heeft vervolgens bij brief van 26 oktober 2017 aangegeven dat hij graag in persoon wil worden gehoord, maar dat de hoorzitting niet op 7 november 2017 kan plaatsvinden. De officier van justitie heeft de gemachtigde daarop laten weten de gemachtigde nog eenmaal de mogelijkheid te bieden om de beroepen en gronden persoonlijk toe te lichten op een hoorzitting op 19 december 2017. De gemachtigde wordt verzocht aan te geven of hij gebruik wenst te maken van die mogelijkheid. De gemachtigde laat vervolgens bij brief van 23 november 2017 weten niet in staat te zijn op 19 december 2017 te worden gehoord. De officier van justitie heeft op 6 december 2017 het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
4. Uit het dossier blijkt niet dat de gemachtigde bij brief van 6 november 2017 de gronden heeft ingediend. De betreffende brief bevindt zich niet in het dossier. De gemachtigde heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gronden bij brief van 6 november 2017 zijn ingediend. Uit de door hem overgelegde uitdraai van zijn verzendadministratie kan weliswaar worden afgeleid dat in de betreffende zaak door de gemachtigde een brief is verzonden op 6 november 2017, maar wat de inhoud van die brief was blijkt niet.
5. Uit hetgeen onder 3. is weergegeven volgt evenwel dat de gemachtigde tot uiterlijk (de hoorzitting op) 19 december 2017 de gelegenheid had de gronden van het beroep in te dienen. Door al op 6 december 2017 het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, heeft de officier van justitie de gemachtigde die mogelijkheid ontnomen. Dat de gemachtigde heeft laten weten niet in staat te zijn om te worden gehoord op 19 december 2017 doet hier niet aan af. De gemachtigde had immers ook (voorafgaand aan de hoorzitting) schriftelijk gronden kunnen indienen.
6. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de officier van justitie het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De kantonrechter heeft dit miskend. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. De overige bezwaren tegen de beslissing van de kantonrechter en de officier van justitie behoeven geen bespreking meer. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “op een kruispunt niet de richting volgen die de voorsorteerstrook aangeeft”. Deze gedraging zou zijn verricht op 2 juli 2017 om 13:40 uur op de Weteringkade in ‘s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .
8. De gemachtigde voert tegen de inleidende beschikking onder meer aan dat de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder is opgelegd. De ambtenaar had de betrokkene staande kunnen houden. Uit het zaakoverzicht blijkt niet waarom er niet is staandegehouden. Dat het voertuig doorrijdt is nogal logisch te noemen. Dan moeten de ambtenaren er achter aan rijden en de betrokkene staande houden.
9. Het zaakoverzicht bevat -voor zover hier van belang- de volgende gegevens:
“ Reden geen staandehouding: het motorvoertuig reed na het plegen van de overtreding via de Oranjelaan naar de Hoefkade. Er was geen gelegenheid aanwezig om de bestuurder staande te houden.”
10. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Als op dit punt een verweer wordt gevoerd, zal de officier van justitie of de rechter daarop uitdrukkelijk moeten beslissen en zo nodig aan de ambtenaar een nadere toelichting moeten vragen.
11. Naar het oordeel van het hof is de verklaring van de ambtenaar dat het voertuig na het plegen van de overtreding doorreed op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat er geen reële mogelijkheid was tot staandehouding. Zonder verdere verklaring valt niet in te zien waarom de ambtenaar het voertuig van de betrokkene niet heeft kunnen volgen om de bestuurder vervolgens staande te houden. Gelet op het tijdsverloop sinds de constatering van deze gedraging en in aanmerking genomen dat de advocaat-generaal deze informatie ook had kunnen overleggen bij het uitbrengen van het verweerschrift waartoe hij in de gelegenheid is gesteld, acht het hof het thans niet meer aangewezen om hierover nadere informatie te doen opvragen bij de ambtenaar. Bij deze stand van zaken moet het ervoor worden gehouden dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. Dit brengt mee dat de sanctie ten onrechte aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal de inleidende beschikking vernietigen en bepalen dat het bedrag van de zekerheidstelling aan de betrokkene dient te worden gerestitueerd.
12. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift dienen in totaal drie procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 787,50.

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter,
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 787,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.