Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 7 juli 2020 in hoger beroep de beschikkingen van de kinderrechter van 27 maart en 8 april 2020 bekrachtigd, waarin een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige werd verleend. De moeder was in hoger beroep gekomen tegen deze beschikkingen, stellende dat de uithuisplaatsing onterecht was.
De feiten betroffen een minderjarige geboren in 2011, die tot de uithuisplaatsing bij de moeder woonde. Er waren meerdere zorgmeldingen over de opvoedingssituatie en veiligheid van de minderjarige, waaronder meldingen van mishandeling en het dagelijks opsluiten door de moeder. Pogingen van de Raad voor de Kinderbescherming om contact met de moeder te krijgen, mislukten. De moeder was onbereikbaar en leek met de minderjarige naar een onbekend adres te zijn vertrokken.
Het hof oordeelde dat er sprake was van onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige en dat de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing terecht was verleend. Ook na 27 maart 2020 bleven de zorgen bestaan, onder meer over de emotionele beschikbaarheid van de moeder en de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige. Het hof vond dat terugplaatsing pas verantwoord was als de moeder volledig beschikbaar en stabiel was. De beschikkingen werden daarom bekrachtigd.