ECLI:NL:GHARL:2020:5428

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 juli 2020
Publicatiedatum
13 juli 2020
Zaaknummer
Wahv 200.232.478/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie bij ontbreken erkend keuringsbewijs bij voertuiginvoer

De betrokkene was in beroep gegaan tegen een sanctiebeslissing van de officier van justitie vanwege het ontbreken van een geldig keuringsbewijs bij de invoer van een voertuig met Nederlands kenteken. De kantonrechter had het beroep ongegrond verklaard. De gemachtigde van de betrokkene voerde onder meer aan dat de kantonrechter onvoldoende had gemotiveerd en dat de Duitse TÜV-keuring gelijkwaardig was aan de Nederlandse APK-keuring.

Het hof constateerde dat de kantonrechter weliswaar enkele motiveringsgebreken vertoonde, met name door niet in te gaan op het uitgebreide betoog over de administratiekosten en de matiging van de sanctie, maar dat deze gebreken niet tot vernietiging van de beslissing leidden omdat de aangevoerde gronden geen doel troffen.

Het hof verduidelijkte dat erkenning van een buitenlandse keuringsbewijs in Nederland expliciet moet worden aangevraagd en aan voorwaarden moet voldoen. De betrokkene had dit niet voldoende onderbouwd en had zich tot de RDW moeten wenden. Het hof vond geen aanleiding om de sanctie te vernietigen of te matigen en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

De beslissing van de kantonrechter werd bevestigd met aanvulling van de motivering door het hof.

Uitkomst: De sanctie wegens het ontbreken van een erkend keuringsbewijs bij voertuiginvoer wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.232.478/01
CJIB-nummer
: 202572544
Uitspraak d.d.
: 13 juli 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 26 oktober 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.P.B. Waals, kantoorhoudende te Enschede.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde voert tegen de beslissing van de kantonrechter aan dat deze op verschillende punten een motiveringsgebrek bevat. Zo geeft de kantonrechter in zijn beschikking wel een opsomming van een aantal beroepsgronden die de gemachtigde tegen de beslissing van de officier van justitie had aangevoerd, en geeft hij vervolgens de reactie van zittingsvertegenwoordiger van de officier van justitie daarop weer, maar besteedt hij daarna geen woord aan de beoordeling daarvan.
2. Het hof stelt vast dat de kantonrechter in zijn beslissing twee bezwaren van de gemachtigde kort heeft opgesomd en deze ook beide, zij het summier, heeft besproken. Voor zover de gemachtigde stelt dat de kantonrechter zich niet over deze gronden heeft uitgelaten, mist deze stelling feitelijke grondslag. In het licht hiervan acht het hof de enkele stelling dat de beslissing van de kantonrechter op dit punt een motiveringsgebrek bevat, onvoldoende onderbouwd. Het hof gaat dan ook aan deze stelling voorbij.
3. Voorts voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter in het geheel niet is ingegaan op het uitgebreide betoog van de gemachtigde tegen (de verhoging van) de administratiekosten.
4. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het beroep bij de kantonrechter in zijn fax van 18 oktober 2017 een betoog heeft gevoerd tegen (de verhoging van) de administratiekosten maar dat de kantonrechter daarop in zijn beslissing niet is ingegaan. In die zin lijdt de beslissing van de kantonrechter aan een motiveringsgebrek. Dit hoeft evenwel niet tot vernietiging van die beslissing te leiden, nu dit betoog van de gemachtigde, gelet op de vaste rechtspraak van het hof, geen doel treft. Het hof verwijst hierbij naar de arresten van 28 maart 2017 en van 14 mei 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2017:2633 respectievelijk ECLI:NL:GHARL:2018:4377).
5. Ten slotte voert de gemachtigde aan dat hij met een uitgebreide motivering had aangevoerd
dat geen sanctie had mogen worden opgelegd voor, kort gezegd, het niet hebben van een keurings-bewijs voor het voertuig met kenteken [0-YYY-00] op 12 september 2016, dan wel dat er aanleiding is om de sanctie te matigen, en dat de kantonrechter deze grond in het geheel niet heeft behandeld.
6. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in voornoemde fax aan de kantonrechter het standpunt heeft ingenomen dat de sanctie niet in verhouding staat tot het “vergrijp” en dat hij gezien de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene verzoekt om de sanctie te matigen. De gemachtigde heeft hiertoe aangevoerd dat de betrokkene het voertuig heeft geïmporteerd uit Duitsland met een twee jaar geldige TÜV-keuring erop, welke keuring gelijk is aan een APK-keuring in Nederland. Gezien de TÜV-keuring en de leeftijd van de auto had bij de overzetting van het voertuig op Nederlands kenteken een keuringsbewijs van twee jaar moeten worden gegeven, aldus de gemachtigde. Voorts stelt hij dat met recht betoogd kan worden dat het voertuig wel APK gekeurd was, gelet op de TÜV-keuring, en dat de RDW dit verkeerd heeft geadministreerd.
7. Voorts stelt het hof vast dat de kantonrechter in zijn beslissing niet op dit standpunt is ingegaan. De enkele overweging dat de kantonrechter niet is gebleken dat de sanctie ten onrechte is opgelegd, is hier niet voldoende, nu de gemachtigde ook had aangevoerd dat aanleiding bestond voor matiging van het bedrag van de sanctie. In die zin lijdt de beslissing van de kantonrechter aan een motiveringsgebrek. Dit hoeft evenwel niet tot vernietiging van die beslissing te leiden, nu dit betoog van de gemachtigde, gelet op het hiernavolgende, geen doel treft. Het hof zal de motivering van de beslissing van de kantonrechter derhalve op dit punt aanvullen.
8. Voor zover de gemachtigde stelt dat de betrokkene met het Duitse keuringsbewijs reeds beschikt over een (in Nederland geldig) keuringsbewijs voor zijn voertuig, is dat onjuist. Uit informatie op de website van de RDW volgt dat bij invoering van een voertuig in Nederland erkenning van een keuringsbewijs uit een ander land kan plaatsvinden, in welk geval een voertuig niet aanstonds opnieuw hoeft te worden gekeurd. Hierom dient expliciet te worden verzocht en bovendien dient aan bepaalde voorwaarden te zijn voldaan, zoals dat het buitenlandse keurings-rapport een origineel document is, het keuringsbewijs nog geldig dient te zijn en dat bij de keuring het originele keuringsrapport moet worden getoond. In andere gevallen dient voor het motorrijtuig direct een geldig keuringsbewijs te worden afgegeven, net zoals dat voor andere motorrijtuigen waarvoor een Nederlands kenteken is opgegeven - behoudens uitzonderingen - ook geldt.
9. Voor zover de gemachtigde stelt dat de RDW ten onrechte de Duitse keuring niet heeft overgenomen, heeft hij die stelling onvoldoende onderbouwd. De gemachtigde heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat een Duits keuringsbewijs voor het voertuig van de betrokkene was afgegeven en evenmin stukken waaruit blijkt dat de betrokkene de procedure tot erkenning daarvan in Nederland heeft doorlopen. Bovendien had de betrokkene, indien hij deze mening was toegedaan, zich tot de RDW moeten wenden. Dat geldt ook voor het geval dat de betrokkene van mening was dat de RDW, mede gezien de leeftijd van het voertuig, een keuringsbewijs van twee jaar had moeten geven, maar dat heeft nagelaten.
10. Het hof ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de sanctie ten onrechte is opgelegd of dat het bedrag van de sanctie moet worden gematigd.
11. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Daarbij worden de gronden van die beslissing aangevuld vanwege de hiervoor geconstateerde motiveringsgebreken.
12. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met aanvulling van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.