AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling beroepsgerechtigdheid en machtiging bij administratief beroep parkeerovertreding
In deze zaak ging het om een hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep van [A] B.V. tegen een inleidende beschikking wegens een parkeerovertreding ongegrond verklaarde. De sanctie was opgelegd aan de kentekenhouder, [betrokkene] N.V., en de vraag was of [A] B.V. gemachtigd was om namens deze partij beroep in te stellen.
De officier van justitie had het beroep van [A] B.V. niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging van degene aan wie de beschikking was opgelegd. Het hof overwoog dat alleen de kentekenhouder of een door deze gemachtigde een beroep kan instellen. De digitale verzending van de beschikking via het Businessportaal aan een andere partij deed hieraan niet af.
Het hof stelde vast dat de beslissing van de kantonrechter terecht was en dat het beroep van [A] B.V. niet ontvankelijk was vanwege het ontbreken van een schriftelijke machtiging. Ook was er geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel of de hoorplicht. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het hof bevestigt het oordeel van de kantonrechter dat alleen de kentekenhouder beroep kan instellen en verklaart het beroep van [A] B.V. niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een geldige machtiging.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.265.921/01
CJIB-nummer
: 217527857
Uitspraak d.d.
: 24 juli 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 14 mei 2019, betreffende
[A] B.V.,
gevestigd te [B] ,
vertegenwoordigd door mr. [C] (de gemachtigde).
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter, waarbij is gevraagd om een proceskostenvergoeding en om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Wel is op 30 maart 2020 een aanvullend schrijven met stukken binnengekomen, in fotokopie doorgezonden aan de advocaat-generaal.
De zaak is behandeld op de zitting van 10 juli 2020, waar de gemachtigde is verschenen en de advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [D] . Ter zitting heeft de gemachtigde een pleinota aan het dossier doen toevoegen.
Beoordeling
1. In de onderhavige zaak is op 18 juni 2018 jegens de betrokkene [betrokkene] N.V. een inleidende beschikking uitgevaardigd. Hiertegen is door [A] B.V. in de persoon van mr. [C] , namens [E] , administratief beroep ingesteld. De officier van justitie heeft dit beroep (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging van degene aan wie de beschikking is opgelegd. Tegen deze beslissing is door [A] B.V. beroep ingesteld bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie een juiste beslissing heeft genomen en heeft het beroep ongegrond verklaard. Die beslissing heeft aldus te gelden als beslissing op het beroep van [A] B.V. en dient ook als zodanig te worden gelezen. Hoger beroep tegen deze beslissing kan derhalve alleen door of namens [A] B.V. worden ingesteld.
2. Tegen de beslissing van de kantonrechter kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld. Dat volgt uit de artikelen 13, derde lid, en 14 van de Wahv en de artikelen 6:24, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van hoger beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beslissing aan de betrokkene is toegestuurd.
3. De beslissing van de kantonrechter dateert van 14 mei 2019. Bij de stukken bevindt zich een brief d.d. 17 mei 2019 waarmee deze beslissing is toegestuurd aan [A] B.V.. Het dossier bevat een e-mailbericht afkomstig van [A] B.V. d.d. 18 juli 2019 waaruit volgt dat [A] B.V. de beslissing van de kantonrechter niet heeft ontvangen. Nu de brief van 17 mei 2019, met daarbij gevoegd de beslissing van de kantonrechter, niet aangetekend is verzonden en evenmin sprake is van een deugdelijke verzendadministratie bij de rechtbank, kan niet worden vastgesteld dat de beslissing aan [A] B.V. is verzonden. Dit brengt mee dat de hoger beroepstermijn geen aanvang heeft genomen, dat het hoger beroep tijdig is ingesteld en dat het hoger beroep ontvankelijk is.
4. Namens [A] B.V. is - kort samengevat - aangevoerd dat geen aanleiding is om te twijfelen aan de beroepsgerechtigdheid van [A] B.V. om in de onderhavige procedure (administratief) beroep in te stellen. Hiertoe wordt er op gewezen dat [A] B.V. reeds vanaf mei 2018 gemachtigd is door [F] N.V. om procedures als de onderhavige te voeren. Het bedrijf dat auto’s least bij [F] heeft de mogelijkheid om zelf de kentekenhouder te worden van het voertuig, hetgeen in deze zaak het geval is bij [betrokkene] N.V.. Deze constructie wordt bijgehouden in het RTL-register (Registratie Tenaamstelling Leasemaatschappijen) en de officier van justitie heeft inzage in dit register. Via het Businessportaal van het CJIB worden de beschikkingen digitaal aan [F] verzonden, die zodoende degene is tot wie de beschikking is gericht en volgens het bepaalde in artikel 6 vanPro de Wahv beroep kan instellen bij de officier van justitie. [F] is vervolgens degene die als eigenaar van het motorvoertuig de beschikking weer digitaal doorzendt aan degene die de auto least. De fictieve kentekenhouder, in dit geval [betrokkene] , krijgt de boete nooit te zien, hoeft deze niet te betalen en niet te verwerken. De niet-ontvankelijk verklaringen van de officier van justitie staan de rechtsgang van [F]
in de weg, terwijl de officier op de hoogte is van de digitale wijze waarop het CJIB
beschikkingen aan leasemaatschappijen verzendt. Door een machtiging te vragen van een internationaal bedrijf met de eis dat deze getekend is door een volledig tekenbevoegd persoon, wat in de regel voor een privaatrechtelijke instelling alleen de CEO/CFO is en voor een publiekrechtelijke instelling alleen de Directeur Generaal, en de gebruiker van het voertuig daarbij slechts een termijn van vier weken wordt gegund, wordt er een niet te slechten barrière tot de rechtsgang opgeworpen. Hiermee is [F] een effectieve toegang tot het recht ontzegd en daarmee is sprake van schending van het bepaalde in artikel 6 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. [C] wijst er voorts op dat bij het hoger beroep een tweetal beslissingen van de officier van justitie is gevoegd waarbij de kentekenhouder
een RTL registratie had en [F] zodoende niet de kentekenhouder was. Beide
beslissingen zijn ontvankelijk verklaard, wat niet te rijmen valt met de niet-ontvankelijk
verklaring in deze zaak. Er is dan ook sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. Tot slot wijst [C] erop dat hij, ondanks een daartoe gedaan verzoek, niet is gehoord door de officier van justitie en dat van de uitzonderingssituaties om hiervan af te zien geen sprake is. Daarmee staat vast dat de officier van justitie de op hem rustende hoorplicht heeft geschonden. Daarnaast is sprake van schending van het bepaalde in artikel 7:18, vierde lid, van de Awb nu het zaakoverzicht niet is toegezonden en dit een op de zaak betrekking hebbend stuk betreft.
5. Om vast te kunnen stellen of [A] B.V. gemachtigd is om beroep tegen de inleidende beschikking in te stellen, is van belang dat in artikel 6, eerste lid, van de Wahv is bepaald dat degene tot wie de beschikking is gericht, administratief beroep kan instellen bij de officier van justitie. Op grond van artikel 2:1, eerste lid, van de Awb is de officier van justitie bevoegd van een (pretense) gemachtigde te verlangen dat deze een schriftelijk bewijs van machtiging overlegt, om vast te stellen of degene die zich als gemachtigde van een betrokkene aandient bevoegd is namens deze beroep in te stellen.
6. Uit de stukken blijkt dat het in deze zaak gaat om een parkeerovertreding waarvoor de sanctie is opgelegd aan de kentekenhouder. Het betreft het kenteken [YY-000-Y] . Het kenteken is op naam gesteld van [betrokkene] N.V.. In het dossier bevindt zich een uitdraai uit het kentekenregister waar dat uit blijkt. In het dossier bevindt zich verder een machtiging waaruit blijkt dat [E] [A] B.V. machtigt, alsmede machtigingen waaruit volgt dat [F] N.V. [A] B.V. machtigt.
7. Zelfs indien bovenomschreven RTL-registratie vast zou komen te staan, volgt het hof niet het standpunt dat [A] B.V. in de onderhavige procedure beroepsgerechtigd is. Het hof stelt vast dat de beschikking is gericht aan [betrokkene] N.V. omdat deze als kentekenhouder geregistreerd stond ten tijde van de gedraging. De sanctie is aan haar opgelegd. Dat de inleidende beschikking via het Businessportaal van het CJIB digitaal aan [F] is verzonden, doet daar niet aan af. Daarom is [betrokkene] N.V. gerechtigd om beroep in te stellen tegen de inleidende beschikking en kan alleen [betrokkene] N.V. een machtiging afgeven om namens haar beroep in te stellen.
8. De officier van justitie heeft [A] B.V. er bij brief van 11 september 2018 derhalve terecht op gewezen dat een schriftelijke machtiging van degene aan wie de beschikking is gericht dat zij, [A] B.V., beroep aan mag tekenen, ontbreekt. De officier van justitie heeft [A] B.V. in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen binnen vier weken na dagtekening van die brief. In die brief is [A] B.V. er ook op gewezen dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het verzuim niet wordt hersteld. Het hof stelt op basis van de stukken vast dat een dergelijke machtiging niet is overgelegd.
9. Van belemmering van de rechtsgang is geen sprake. Het ligt op de weg van een betrokkene als kentekenhouder van het voertuig om - indien het voeren van beroepsprocedures als de onderhavige uit handen wordt gegeven - zorg te dragen voor een deugdelijke machtigingsconstructie. Dit geldt te meer indien sprake is van een bedrijf met een groot aantal voertuigen op naam. Het niet binnen de voorgeschreven termijn kunnen afgeven van een geldige machtiging komt dan ook voor rekening en risico van de betrokkene als kentekenhouder.
10. Dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel is het hof voorts niet gebleken. Het hof overweegt hiertoe dat met het overleggen van de beslissing van de officier van justitie in een tweetal afzonderlijke zaken niet aannemelijk is gemaakt dat bij de CVOM sprake is van een vaststaand beleid om in dergelijke zaken geen machtiging op te vragen. De kantonrechter heeft hieromtrent - impliciet - geoordeeld dat geen sprake is van willekeur. Dat dit een onjuiste beslissing is, is door de gemachtigde noch bepleit noch onderbouwd.
11. Het verweer inhoudende dat sprake is van schending van de hoorplicht gaat niet op. Het hof stelt vast dat in administratief beroep weliswaar is verzocht om te worden gehoord, maar de officier van justitie behoefde hier geen gehoor aan te geven. De officier van justitie heeft zoals gezegd het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat niet binnen de gestelde termijn een machtiging was verstrekt. De officier van justitie kon, op de voet van artikel 7:17, aanhef en onder a van de Awb, er van af zien om de indiener van het beroep te horen.
12. De klacht dat sprake is van schending van de informatieverplichting, omdat het zaakoverzicht niet is toegezonden, faalt reeds op de grond dat een dergelijk verzoek hiertoe in administratief beroep niet is gedaan.
13. De kantonrechter heeft gelet op het voorgaande een juiste beslissing genomen door het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond te verklaren. Die beslissing zal dan ook worden bevestigd. Aanleiding voor een vergoeding van proceskosten is er dan ook niet.
Beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.