ECLI:NL:GHARL:2020:5899

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 juli 2020
Publicatiedatum
27 juli 2020
Zaaknummer
200.279.351
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging tussentijdse beëindiging wettelijke schuldsaneringsregeling wegens boedelachterstand en nieuwe schulden

Appellante en haar partner zijn in december 2016 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. In 2018 werden zij gewezen op hun verplichtingen om achterstanden en nieuwe schulden in te lopen. In mei 2019 werd de regeling voortgezet met een looptijd tot eind 2021.

In maart 2020 verzocht de bewindvoerder om tussentijdse beëindiging van de regeling wegens het niet voldoen aan aflossingsverplichtingen en het ontstaan van nieuwe schulden. De rechtbank beëindigde de regeling in juni 2020 zonder schone lei toe te kennen.

Appellante ging in hoger beroep en verzocht voortzetting van de regeling, eventueel met verlenging. Het hof oordeelde dat appellante een aanzienlijke boedelachterstand en nieuwe schulden had laten ontstaan, zonder een onderbouwd aflossingsplan. Ook werd vastgesteld dat zij haar informatieverplichtingen jegens de bewindvoerder structureel had verzaakt.

Daarnaast werd appellante verweten zonder toestemming een opleiding te volgen, wat leidde tot extra schulden en gemiste inkomsten. Het hof concludeerde dat de regeling niet kan voortduren en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de tussentijdige beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens boedelachterstand en nieuwe schulden zonder schone lei.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.279.351
(insolventienummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: C/05/16/1039 R.)
arrest van 27 juli 2020
in de zaak van
[appellante],
wonende te [A] ,
appellante, hierna: [appellante] ,
advocaat: mr. J.H.J. Joosten.

1.Het geding in eerste aanleg

1.1
Bij vonnis van 27 december 2016 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen (hierna: de rechtbank), op verzoek van [appellante] , de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken. Hierbij is [B] tot bewindvoerder benoemd. Op dezelfde datum is ook de partner van [appellante] , [C] (hierna: [C] ), tot die regeling toegelaten.
1.2
Bij verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 26 september 2018 zijn [appellante] en [C] gewezen op hun verplichtingen en is hen opgedragen om de ontstane achterstand in boedelafdrachten en de op dat moment bestaande nieuwe schulden zo spoedig mogelijk en in ieder geval vóór het einde van hun regeling in te lopen.
1.3
Bij vonnis van 7 mei 2019 heeft de rechtbank bepaald dat de schuldsaneringsregeling van [appellante] en [C] wordt voortgezet, onder de voorwaarde dat zij beschermingsbewind aanvragen en realiseren en heeft zij de termijn gedurende welke de toepassing van hun schuldsaneringsregeling van kracht is, vastgesteld op vijf jaar, zodat die regelingen eindigen op 27 december 2021. Tegen dat vonnis is geen hoger beroep ingesteld.
1.4
Naar aanleiding van een door de bewindvoerder ingediend verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregelingen van [appellante] en [C] heeft op
12 maart 2020 een zitting bij de rechtbank plaatsgevonden. Bij verkort proces-verbaal van die datum is de uitspraak op dat verzoek pro forma aangehouden tot 9 april 2020 om [appellante] en [C] in de gelegenheid te stellen tot een oplossing te komen voor het inlopen van de nieuwe schulden en de boedelachterstand in de resterende looptijd van hun regeling.
1.5
Na afloop van de gestelde termijn heeft de rechtbank afgezien van een voortgezette mondelinge behandeling en bij vonnis van 4 juni 2020 de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellante] tussentijds beëindigd, zonder dat aan [appellante] de schone lei wordt verleend. Het hof verwijst naar dat vonnis.
2. Het geding in hoger beroep
2.1
Bij ter griffie van het hof op 11 juni 2020 ingekomen verzoekschrift is [appellante] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 4 juni 2020. [appellante] verzoekt het hof dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, te bepalen dat haar schuldsaneringsregeling zal worden voortgezet, al dan niet met een verlenging van de looptijd met een door het hof juist te achten termijn of onder door het hof nader te stellen voorwaarden.
2.2
Het hof heeft kennisgenomen van:
- het verzoekschrift in hoger beroep met één bijlage;
- de brief met bijlagen van 23 juni 2020 van de bewindvoerder;
- de op 30 juni 2020 en 14 juli 2020 van mr. Joosten ontvangen stukken en
- de e-mailberichten van mr. Joosten van 15 juli 2020 en 16 juli 2020 met bijlagen.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 20 juli 2020 plaatsgevonden gelijktijdig met het hoger beroep van [C] . [appellante] en [C] zijn verschenen, bijgestaan door mr. Joosten. Voorts is de op 13 september 2019 benoemde beschermingsbewindvoerder van [appellante] en [C] , [D] , verschenen. Ook de bewindvoerder is verschenen.
3. De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1
[appellante] woont samen met [C] . Tot hun gezin behoren drie minderjarige kinderen. Op 17 september 2018 heeft [appellante] zich ingeschreven bij het [E] College voor de éénjarige opleiding tot kraamverzorgende. Per 1 januari 2019 is zij met [F] B.V. (hierna: [F] ) een leerarbeidsovereenkomst aangegaan voor minimaal 10 uur per week. Met ingang van 1 oktober 2019 is zij als kraamverzorgende in dienst getreden van [F] voor minimaal 15 uur en maximaal 22 uur per week. Vanaf 1 januari 2020 is zij werkzaam als jr. medewerker bloedafname in ziekenhuis [G] gedurende 28 uur per week.
Bij de rechtbank is een door [appellante] ingesteld beroep aanhangig tegen een door de belastingdienst gegeven beslissing op bezwaar, waarbij van haar een (nader vastgesteld) bedrag van € 3.778 aan kinderopvangtoeslag over 2018 is teruggevorderd.
Ook [C] heeft beroep ingesteld bij de rechtbank tegen een door de belastingdienst gegeven beslissing op bezwaar, waarbij van hem een (nader vastgesteld) bedrag van € 14.411 aan kinderopvangtoeslag over 2019 is teruggevorderd.
Ten tijde van de zitting in hoger beroep was op beide beroepen nog niet beslist.
3.2
De rechtbank heeft de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellante] tussentijds beëindigd, omdat [appellante] zich niet heeft gehouden aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichting om te sparen voor een aflossing aan haar schuldeisers en omdat zij nieuwe schulden heeft laten ontstaan. Hierbij heeft de rechtbank het volgende overwogen. De precieze hoogte van de boedelachterstand is niet duidelijk, omdat de bewindvoerder geen inkomensgegevens heeft ontvangen over februari en maart 2020. Gelet op de onoplosbare boedelachterstand en de nieuwe schulden, waarvoor ook geen voorstel tot aflossing is ingediend, laat de rechtbank in het midden of [appellante] een verwijt moet worden gemaakt van het niet voldoen aan haar sollicitatieverplichting.
3.3
Het hof oordeelt als volgt.
Niet in debat is dat [appellante] tijdens de schuldsaneringsregeling voor een aanzienlijk totaalbedrag, ten minste € 18.105,15, aan boedelachterstand (tot en met januari 2020
€ 1.090,73) en nieuwe schulden (€ 17.014,42) heeft laten ontstaan.
Hoewel dat op haar weg lag, heeft [appellante] in hoger beroep geen reëel en onderbouwd plan gepresenteerd waaruit blijkt dat zij deze bedragen gedurende de resterende duur van de verlengde regeling kan inlopen. Ter zitting heeft de beschermingsbewindvoerder grote twijfels geuit of [appellante] hiertoe, ook in geval van een gunstige afloop van haar bij de bestuursrechter ingestelde beroep, in staat zal zijn. Bij dat laatste scenario moet [appellante] volgens de beschermingsbewindvoerder immers nog altijd een bedrag van om en nabij
€ 1.000 per maand aflossen en dat ziet hij, evenals de bewindvoerder, niet gebeuren.
Nu concrete aanknopingspunten voor een andere conclusie ontbreken en onomstreden is dat [appellante] (evenals [C] ) al sinds september 2019 geen boedelafdrachten heeft verricht, is het hof van oordeel dat de schuldsaneringsregeling van [appellante] reeds op deze grond niet kan voortduren.
3.4
Daar komt bij dat uit de verslagen van de bewindvoerder voldoende aannemelijk is geworden dat [appellante] de uit haar schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatie-verplichting steeds niet naar behoren is nagekomen. Hierdoor heeft [appellante] niet de van haar te vergen medewerking verleend aan de bewindvoerder om zijn toezichthoudende en controlerende taken, waaronder het vaststellen van het voor haar vrij te laten bedrag, uit te voeren. Ook dit moet [appellante] worden aangerekend.
Wat betreft de tot de nieuwe schulden behorende schuld aan [F] van € 3.852,32 ter zake de gemaakte opleidingskosten, valt [appellante] er ook een verwijt te maken dat zij zonder voorafgaande toestemming van de bewindvoerder of rechter-commissaris een opleiding tot kraamverzorgende is gaan volgen. Dit heeft geleid tot een omvangrijke schuld aan het opleidingsinstituut en het gedurende het opleidingsjaar niet fulltime beschikbaar kunnen zijn voor de arbeidsmarkt waardoor de saneringsboedel potentiële inkomsten is misgelopen.
Ook op grond hiervan moet de schuldsaneringsregeling van [appellante] voortijdig worden beëindigd.
3.5
Het hoger beroep faalt. Het vonnis van 4 juni 2020 zal worden bekrachtigd.

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 4 juni 2020.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.M. Croes, C.G. ter Veer en S.M. Evers en op 27 juli 2020 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.