ECLI:NL:GHARL:2020:592

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 januari 2020
Publicatiedatum
23 januari 2020
Zaaknummer
Wahv 200.248.878/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:24 AwbArt. 3:41 AwbArt. 8:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbrekende machtiging in verkeersboetezaak

In deze zaak heeft de betrokkene hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de kantonrechter die het beroep tegen een verkeersboete niet-ontvankelijk verklaarde wegens het ontbreken van een machtiging van de gemachtigde. Het hof oordeelt dat het hoger beroep wel ontvankelijk is omdat de termijn voor hoger beroep niet is begonnen door onduidelijke verzending van de beslissing aan de gemachtigde.

Het hof stelt dat de kantonrechter terecht een schriftelijke machtiging mag verlangen, maar dat de kantonrechter ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat niet is medegedeeld dat niet-ontvankelijkheid zou volgen bij het niet herstellen van het verzuim. Daarom vernietigt het hof de beslissing van de kantonrechter.

Vervolgens beoordeelt het hof het oorspronkelijke beroep tegen de beslissing van de officier van justitie. Dit beroep is te laat ingediend en niet verschoonbaar, waardoor het hof het beroep ongegrond verklaart. Het hof kan daardoor de inhoudelijke bezwaren tegen de opgelegde sanctie niet beoordelen.

Uitkomst: Het hoger beroep is ontvankelijk verklaard, maar het beroep tegen de verkeersboete is ongegrond wegens te late indiening.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.248.878/01
CJIB-nummer
: 210371874
Uitspraak d.d.
: 23 januari 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 28 juni 2018, betreffende

[A] ,

De gemachtigde in hoger beroep is de betrokkene, [betrokkene] ,

wonende te [B] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

[betrokkene] heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
[betrokkene] heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die
gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. In de onderhavige zaak is op 7 september 2017 jegens de betrokkene [betrokkene] een inleidende beschikking uitgevaardigd. Hiertegen is door [A] , namens [betrokkene] , administratief beroep ingesteld. De officier van justitie heeft dit beroep aangemerkt als te zijn ingesteld namens [betrokkene] . Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet tijdig is ingesteld. Tegen deze beslissing heeft [A] , namens [betrokkene] , beroep bij de kantonrechter ingesteld. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen machtiging is overgelegd waaruit blijkt dat [A] gerechtigd was tot het instellen van beroep. Die beslissing heeft aldus te gelden als beslissing op het beroep van [A] . Hoger beroep tegen deze beslissing kan derhalve alleen door of namens [A] worden ingesteld. Het dossier bevat een tweetal brieven van [betrokkene] waarin hij - onder meer - aangeeft zich niet te kunnen verenigen met de beslissing van de kantonrechter. Ook [A] heeft in hoger beroep een brief gestuurd. Het hof beschouwt het hoger beroep als te zijn ingesteld namens [A] .
2. Tegen de beslissing van de kantonrechter kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld. Dat volgt uit de artikelen 13, derde lid, en 14 van de Wahv en de artikelen 6:24, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van hoger beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beslissing is toegestuurd.
3. De beslissing van de kantonrechter dateert van 14 juni 2018. Bij de stukken bevindt zich een brief d.d. 28 juni 2018 waarmee deze beslissing is toegestuurd aan [A] . In zijn in de hoger beroepsprocedure toegezonden brief geeft [A] te kennen de beslissing van de kantonrechter niet te hebben ontvangen. Nu de brief van 28 juni 2018, met daarbij gevoegd de beslissing van de kantonrechter, niet aangetekend is verzonden en evenmin sprake is van een deugdelijke verzendadministratie bij de rechtbank, kan niet worden vastgesteld dat de beslissing aan [A] is verzonden. Dit brengt mee dat de hoger beroepstermijn geen aanvang heeft genomen, dat het hoger beroep tijdig is ingesteld en daarmee dat het hoger beroep ontvankelijk is.
4. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen machtiging is overgelegd waaruit blijkt dat [A] gerechtigd was tot het instellen van beroep.
5. De kantonrechter is, naar analogie van artikel 8:24, tweede lid, Awb, bevoegd van een gemachtigde te verlangen dat deze een schriftelijk bewijs van machtiging overlegt ten einde vast te stellen of degene die zich als gemachtigde van een betrokkene aandient daartoe werkelijk bevoegd is.
6. Indien de kantonrechter vaststelt dat een schriftelijke machtiging als hiervoor bedoeld ontbreekt dan wel niet toereikend is, kan niet-ontvankelijkverklaring volgen indien de pretense gemachtigde schriftelijk in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen, het verzuim niet binnen de in de brief genoemde termijn is hersteld en in de brief is meegedeeld dat niet-ontvankelijkverklaring kan volgen als het verzuim niet binnen die termijn is hersteld (vgl. het arrest van 11 juli 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2018:6361).
7. De griffier van de rechtbank heeft [A] bij brief van 22 mei 2018 uitgenodigd voor de zitting van 14 juni 2018. Daarbij is hij er op gewezen dat een volmacht dient te worden overgelegd. In die brief is niet medegedeeld dat niet-ontvankelijkverklaring kan volgen als het verzuim niet wordt hersteld. Dat brengt mee dat de kantonrechter het beroep van [A] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
8. De beslissing van de kantonrechter kan gelet op het voorgaande niet in stand blijven. Het hof zal die beslissing dan ook vernietigen en, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
9. De officier van justitie heeft het beroep, ingesteld door [A] namens betrokkene [betrokkene] , niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld. Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft [A] beroep ingesteld. Het hof ziet geen reden voor twijfel dat ook het beroep tegen deze beslissing namens de betrokkene [betrokkene] is ingesteld;
[A] is de vader van de betrokkene.
10. Tegen de inleidende beschikking kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Awb. De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beschikking aan de betrokkene is toegestuurd.
11. De inleidende beschikking is op 7 september 2017 aan de betrokkene [betrokkene] toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 19 oktober 2017. Het beroepschrift is gedateerd 27 december 2017. Uit een stempel blijkt dat het op 2 januari 2018 door de officier van justitie is ontvangen. Het beroep is dan ook niet tijdig ingesteld. Er is niet gebleken dat dit verschoonbaar is. De officier van justitie heeft juist beslist. Het beroep tegen deze beslissing is dan ook ongegrond.
12. Deze beslissing brengt mee dat het hof de bezwaren tegen de opgelegde sanctie niet kan beoordelen.

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.