AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging sanctie snelheidsovertreding na betwisting meetresultaat radarcontrole
De betrokkene werd gesanctioneerd voor het rijden met 15 km/h te hard op een buiten de bebouwde kom gelegen weg. Hij betwistte de overtreding en de betrouwbaarheid van de snelheidsmeting met een Jenoptik Multaradar CT.
Het hof oordeelde dat de betrokkene onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het voertuig niet op de plaats van de overtreding kon zijn. De locatieaanduiding en het kenteken op de foto waren consistent met de overtreding. De betrokkene voerde bezwaren aan tegen de betrouwbaarheid van de radar, waaronder de bedrijfstemperatuur en luchtvochtigheid, maar deze werden weerlegd door een technisch adviseur verkeershandhavingsmiddelen.
De gebruikte meetapparatuur voldeed aan de wettelijke normen en was geschikt voor de weersomstandigheden. De betrokkene had geen recht op aanvullende stukken zoals het ijkrapport, omdat er geen gegronde twijfel bestond. Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: De sanctie voor snelheidsovertreding wordt bevestigd en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.243.223/01
CJIB-nummer
: 212486769
Uitspraak d.d.
: 23 januari 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 6 juni 2018, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 125,- voor: “overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met
15 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 7 november 2017 om 14.40 uur op de Rondweg in Markelo met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .
2. De betrokkene ontkent de gedraging. Kort samengevat voert de betrokkene aan dat het voertuig op het moment van de gedraging niet op de genoemde locatie heeft kunnen rijden. Daarnaast is niet een specifieke locatie van de gedraging genoemd. Verder betwist de betrokkene de betrouwbaarheid van de meting en zijn belangrijke gegevens die nodig zijn om de juistheid van de meting te kunnen controleren niet verstrekt.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de vaststelling dat met behulp van een voor de meting getest, goedgekeurd en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel is gemeten dat met het onder 1. genoemde voertuig een (gecorrigeerde) snelheid van 95 km/h is gereden, terwijl de toegestane snelheid ter plaatse 80 km/h was. De rijrichting was van Goor naar Lochem. De snelheid is gemeten met een radarsnelheidsmeetmiddel van het merk Jenoptik, type Multaradar CT.
5. Verder bevat het dossier een foto van de gedraging. Hierop is het onder 1. genoemde voertuig te zien. De gegevens in de databalk komen overeen met de gegevens in het zaakoverzicht. Verder staat er ‘Multaradar CT TP8576’ en ‘categorie B’. Ook bevat het dossier een NMi-verklaring waaruit volgt dat uit onderzoek bleek dat het gebruikte meetmiddel voldeed aan de Concept voorschriften meetmiddelen politie. Daarnaast bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal waarin de ambtenaar verklaart dat de exacte locatie van de snelheidscontrole was op de Rondweg te Markelo, ter hoogte van hectometerpaal 32,3.
6. De betrokkene heeft eerder in de procedure een ANWB-factuur toegestuurd die betrekking heeft op de parkeerkosten in een parkeergarage. Hierop staat het onder 1. genoemde kenteken, met daarachter als locatie Zuidmolen/Enschede. De datum is 7 november 2017, tijd 13.23 uur. De parkeerkosten zijn € 7,67. Onder het kopje ‘duur’ staat niks vermeld.
7. Het hof is van oordeel dat de betrokkene met het overleggen van de factuur niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voertuig niet op de plaats van de gedraging kon zijn op het moment van de gedraging. Uit de factuur blijkt namelijk niet van wanneer tot wanneer het voertuig geparkeerd heeft gestaan in de parkeergarage. Het is onduidelijk of het genoemde tijdstip een begin- of eindtijd is. De enkele stelling dat de betrokkene afspraken had, is ook onvoldoende. Verder is op de foto van de gedraging het kenteken van het voertuig goed te lezen en is te zien is dat het een Audi betreft, wat overeenkomt met de gegevens in het zaakoverzicht. Het hof verwerpt daarom het verweer dat het voertuig niet ter plaatse heeft kunnen zijn.
8. Ten aanzien van de plaatsaanduiding van de snelheidsmeting overweegt het hof dat uitgegaan wordt van de verklaring van de ambtenaar dat deze heeft plaatsgevonden bij hectometerpaal 32,3. De betrokkene heeft aangevoerd dat het deel van de weg ter hoogte van deze hectometerpaal niet Rondweg heet en dat die pas begint vanaf hectometerpaal 33,3. In het midden latend hoe het specifieke deel van de weg daar heet, blijkt uit het dossier dat het hier gaat om de N346 tussen Goor en Lochem. Het hof ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de locatie-aanduiding door de ambtenaar onjuist is en hiermee een hectometerpaal op een andere weg zou worden aangeduid.
9. Verder heeft betrokkene verschillende argumenten aangevoerd met betrekking tot de betrouwbaarheid van de snelheidsmeting. Allereerst is zijn bezwaar dat hij niet alle stukken krijgt waar hij om heeft verzocht, wat tot gevolg heeft dat hij de apparatuur niet kan controleren en ook niet kan vaststellen of die op de juiste wijze, binnen de door fabrikant voorgeschreven specificaties, is gebruikt. Hij heeft onder meer verzocht om de testfoto’s die voorafgaand aan de meting zijn gemaakt, een meetprotocol van het NMi, specificaties van de leverancier en om de bill-of-material van het apparaat.
10. Artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht voorziet specifiek voor belanghebbenden in een recht om hangende administratief beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken op te vragen bij het beroepsorgaan. Het gaat daarbij om stukken die nodig zijn om een boete op basis daarvan aan te vechten (vlg. ABRS 19 november 2014, ECLI:NL:RvS:2014:4129). De op de zaak betrekking hebbende stukken dienen deel uit te maken van het dossier (vgl. het arrest van het hof van 2 februari 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder CLI:NL:GHARL:2018:1050). In zaken als deze worden het zaakoverzicht en – indien van toepassing – een foto van de gedraging aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken. Andere documenten, zoals een ijkrapport, hoeven geen deel uit te maken van het dossier. Dat is slechts anders indien redelijkerwijs twijfel bestaat over de aspecten waarop die informatie betrekking heeft (vgl. het arrest van het hof van
17 oktober 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:8247). Die situatie kan zich voordoen wanneer feiten of omstandigheden aannemelijk worden gemaakt die niet of onvoldoende kunnen worden weerlegd aan de hand van het zaakoverzicht, de eventuele foto’s en de overige aanwezige stukken dan wel wanneer feiten of omstandigheden worden aangevoerd die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de uit die stukken blijkende gegevens.
11. Het hof stelt vast dat de betrokkene in het administratief beroepschrift heeft verzocht om bewijs dat de Multaradar volgens de specificaties van de fabrikant opgesteld stond en via een WOB-verzoek gericht aan de politie om de onder 9. genoemde documenten.
12. In het licht van wat hiervoor is omschreven, is het niet onbegrijpelijk dat het enkele verzoek om informatie ten aanzien van de gebruikte apparatuur de officier van justitie niet heeft genoopt tot het opvragen en verstrekken van het ijkrapport. Van een schending van het bepaalde in artikel 7:18 vanPro de Awb door de officier van justitie is dan ook geen sprake. Het verweer op dit punt wordt verworpen.
13. Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de apparatuur stelt het hof verder het volgende voorop. De radarsnelheidscontrolemeter is opgenomen in de Regeling meetmiddelen politie. Daarin is bepaald dat voor het gebruik van de radarsnelheidscontrolemeter een verklaring van een onderzoek moet zijn afgegeven door het Nederlands Meetinstituut NMi N.V. waaruit blijkt, dat het apparaat voldoet aan de eisen als vermeld in de bijlage behorend bij deze regeling (artikel 1 onderPro a juncto artikel 2, tweede lid). Die eisen zijn opgenomen in de Concept regeling voorschriften meetmiddelen politie (CVMP, versie 2010-08-09 te vinden op www.politie.nl). Naast algemene voorschriften voor (type) keuring en het gebruik van meetmiddelen en eisen gesteld aan (elektronische) meetmiddelen, zijn in hoofdstuk III specifieke bepalingen opgenomen waaraan radarsnelheidsmeters moeten voldoen. De mobiele radarcontrole waarop deze zaak betrekking heeft, wordt in 11.2 aangeduid met categorie B: bewaakte stationaire meting, dat wil zeggen meting vanuit een niet bewegend punt.
14. Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat het in deze zaak gehanteerde meetinstrument op basis van toetsing aan de daarvoor geldende wettelijke normen is toegelaten, zodat in beginsel mag worden uitgegaan van de betrouwbare werking daarvan.
15. Het voorgaande betekent niet dat zonder meer wordt uitgegaan van feilloosheid van apparatuur. Er kan een fout optreden en mogelijk kan een onjuist of onbetrouwbaar meetresultaat worden gegeven ingeval de bedienaar het apparaat niet op de in de handleiding voorgeschreven wijze gebruikt. De betrokkene voert in dit verband aan dat de apparatuur niet getest is binnen de gespecificeerde bedrijfstemperatuur van -20°C tot +60°C en dat de luchtvochtigheid van 91% ten tijde van de meting te hoog zou zijn, gerelateerd aan de IP-waarde (Ingress Protection) van de gebruikte apparatuur. Verder kan het zijn dat de meetwaarden afwijkend zijn doordat de voedingsspanning buiten het gespecificeerde werkbereik lag. Ter onderbouwing van zijn argumenten heeft de betrokkene verwezen naar verschillende onderdelen van de handleiding van de Multaradar CT.
16. De advocaat-generaal heeft in diens verweerschrift aangegeven contact te hebben gehad met de technisch adviseur verkeershandhavingsmiddelen van het Parket CVOM, de heer [B] . Deze heeft onder meer het volgende uitgelegd:
“De Multaradar CT van Politie, inclusief alle toebehoren is, bij operationeel gebruik en onder alle weersomstandigheden, schokbestendig en weersbestendig (IP klasse x6). Het temperatuurbereik is van -10°C/+60°C en binnen dit temperatuurbereik blijft het meetresultaat binnen de toelaatbare fout. Buiten dit bereik wordt het meetresultaat geëlimineerd. Deze gegevens van dit type meetmiddel zijn vastgelegd op de voorlopige verklaring TP 8576, afgegeven door het NMi. Iedere set is hierop door het NMi gekeurd.”
De advocaat-generaal heeft nog toegevoegd dat de temperatuur gemeten op het dichtstbijzijnde meetstation van het KNMI op 7 november 2018 -2,6°C bedroeg.
17. Ten aanzien van de IP-waarde van de apparatuur heeft de heer [B] in reactie op de nadere toelichting het volgende uitgelegd:
“De IP-codering (International Protection Rating, ook soms Ingress Protection) op elektrische apparaten is eenvoudig gezegd een aanduiding voor de mate van bescherming van de elektronica tegen indringing van voorwerpen en vocht. Zo’n IP-aanduiding heeft twee cijfers: het eerste geeft de beschermingsgraad weer tegen aanraken en indringen van voorwerpen, het tweede geeft de beschermingsgraad tegen vocht weer. In het geval van de SmartCamera III wordt gesproken over een IP-beschermingsgraad van IP54, dat wil zeggen dat het apparaat stofbestendig (5) en plensdicht (4) is. Plensdicht wil zeggen dat er geen schade aan het apparaat kan ontstaan als het wordt besproeid (10 l/min) onder welke hoek dan ook. Met andere woorden, het zegt niets over de juiste werking van het apparaat, alleen maar wanner het stuk zou kunnen gaan omdat er water bij de elektronica kan komen.
Nu naar het verweer van de betrokkene. Deze stelt dat de meting(en) ongeldig verklaard moet(en) worden omdat de grenzen van de IP-waarde overschreden zijn waar het de indringing van vocht aangaat. De handleiding zegt echter niet dat het apparaat bij een bepaalde luchtvochtigheid niet gebruikt mag worden of foutieve metingen oplevert. Het geeft enkel aan wat de beschermingsgraad van het apparaat en de daarin aanwezige elektronica is. De luchtvochtigheid heeft geen enkele relatie met de meting(en) en het meetprincipe (doppler) anders dan dat er demping van het signaal kan ontstaan door de hoge luchtvochtigheid. Met andere woorden het radarsignaal kan zwakker worden door de vele waterdruppeltjes in de atmosfeer. Het meetprincipe wordt dus niet beïnvloed door de luchtvochtigheid, maar als er teveel demping optreedt kan er geen meting uitgevoerd worden en stopt het apparaat met handhaven. Bovendien staat er geen IP-graad aangegeven voor de gebruikte radarsensor, enkel bij de SmartCamera III. Omdat deze camera geen meting uitvoert maar enkel dient voor de vastlegging van het overtredende voertuig op beeld kan worden vastgesteld dat dit correct heeft gefunctioneerd. Als het last zou hebben van de luchtvochtigheid zou er hooguit iets stuk kunnen gaan waardoor er geen beelden meer worden vastgelegd, of er ontstaat een wazig beeld door vochtvorming in het apparaat en op de lens. Ook dit was niet het geval getuige de foto”.
18. In het licht van de uitleg van de heer [B] geeft wat de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de snelheid van het voertuig van de betrokkene, dat als enig voertuig op de foto staat, op de onder 1. genoemde datum, tijd en plaats, op juiste wijze is gemeten met appratuur die op juiste wijze is gebruikt. Voldoende is komen vast te staan dat de gedraging is verricht en daarvoor terecht een sanctie is opgelegd.
19. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.
Beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.