ECLI:NL:GHARL:2020:6011

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 juli 2020
Publicatiedatum
28 juli 2020
Zaaknummer
Wahv 200.244.286/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-stellen zekerheid bij Wahv

De betrokkene had beroep ingesteld tegen een beslissing van de officier van justitie onder de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de betrokkene niet aan de verplichting tot zekerheidstelling had voldaan. Het hof had de zaak eerder terugverwezen omdat de kantonrechter geen nadere termijn had gegeven om alsnog zekerheid te stellen.

Na terugwijzing stelde de kantonrechter alsnog een termijn voor zekerheidstelling, maar de betrokkene stelde geen zekerheid. De kantonrechter verklaarde het beroep opnieuw niet-ontvankelijk. Het hof oordeelde dat de kantonrechter niet verplicht was de gemachtigde opnieuw te horen over de draagkracht, omdat deze al voldoende gelegenheid had gehad om zijn financiële situatie toe te lichten.

Het hof benadrukte dat zekerheidstelling in beginsel de toegang tot de rechter niet mag belemmeren, tenzij dit een ontoelaatbare beperking vormt van het recht op toegang tot de rechter zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM Pro. Omdat de betrokkene niet tijdig zekerheid stelde en voldoende gelegenheid had gekregen om zijn draagkracht aan te tonen, bevestigde het hof de niet-ontvankelijkverklaring en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het hof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het niet tijdig stellen van de vereiste zekerheid onder de Wahv.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.244.286/01
CJIB-nummer
: 196086826
Uitspraak d.d.
: 28 juli 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Nederland van 13 juli 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.M.C. Niederer, kantoorhoudende te Helmond.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.
Op 15 oktober 2018 is nog een brief van de gemachtigde ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan advocaat-generaal.

De beoordeling

1. De gemachtigde heeft in deze zaak naar aanleiding van de brieven van de officier van justitie, waarin aan de betrokkene mededeling is gedaan van de verplichting om zekerheid te stellen, bij brief van 3 september 2016 aangegeven dat de betrokkene verminderd draagkrachtig is zodat niet aan de verplichting tot zekerheidstelling kan worden voldaan. Betrokkene is in korte tijd met veel uitgaven geconfronteerd en heeft slechts een beperkt (minimum)inkomen, aldus de gemachtigde.
2. De gemachtigde is vervolgens opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van
6 juni 2018, teneinde stukken in te brengen waaruit de financiële draagkracht van de betrokkene blijkt, zoals salarisspecificaties of een specificatie van de uitkering. De gemachtigde is niet ter zitting van de kantonrechter verschenen. Aansluitend heeft de kantonrechter bij beslissing van 20 juni 2017 de gelegenheid geboden om binnen vier weken door middel van bewijsstukken aan te tonen dat de betrokkene geen zekerheid kan stellen. Naar aanleiding van deze beslissing heeft de kantonrechter geen stukken ontvangen. Op 27 juli 2017 heeft de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
3. Bij arrest van 17 mei 2018 heeft het hof de beslissing van de kantonrechter van 27 juli 2017 vernietigd omdat de kantonrechter de betrokkene, nu hij het aangevoerde omtrent de draagkracht ongegrond heeft geacht, een nadere termijn had moeten gunnen om alsnog het volledige bedrag van de zekerheidstelling te voldoen. Het hof heeft de zaak teruggewezen naar de rechtbank Noord-Nederland ter behandeling en beslissing met inachtneming van het arrest.
4. Bij brief van 29 mei 2018 heeft de griffier van de rechtbank de gemachtigde opgeroepen voor de zitting van 29 juni 2018 en erop gewezen dat uiterlijk op 28 juni 2018 het volledige bedrag van de zekerheid door bijschrijving op de rekening van het CJIB dient te zijn betaald. Verder is in deze brief aangegeven dat bij niet tijdige betaling het beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Bij de thans bestreden beslissing van 29 juni 2018 heeft de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat ter zitting is gebleken dat de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld.
5. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een zekerheidstelling ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) in het algemeen niet in de weg zal staan aan de toegang tot de rechter. Hierop dient een uitzondering te worden gemaakt, indien de hoogte van het gevraagde bedrag aan zekerheid gelet op de financiële omstandigheden van de betrokkene een zodanige belemmering oplevert, dat toepassing van het stelsel van zekerheidstelling in het onderhavige geval zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in artikel 6 van Pro het EVRM gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie.
6. Dit brengt mee dat, indien een betrokkene in de procedure bij de kantonrechter met redenen omkleed aanvoert dat hij niet (terstond) in staat is zekerheid te stellen tot het totale van hem verlangde bedrag, de kantonrechter de betrokkene in de gelegenheid moet stellen op een openbare zitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht, tenzij hij het daaromtrent aangevoerde reeds aanstonds aannemelijk acht.
7. De eerdere beslissing van de kantonrechter is weliswaar door het hof vernietigd omdat de betrokkene ten onrechte door het stellen van een nadere termijn niet in de gelegenheid is gesteld om alsnog zekerheid te stellen, maar dit laat onverlet dat de gemachtigde in het kader van deze rechtsgang wel in de gelegenheid is gesteld om ter openbare zitting te worden gehoord omtrent de financiële draagkracht van de betrokkene en de gelegenheid heeft gehad om ten behoeve van de door de kantonrechter omtrent het draagkrachtverweer te nemen beslissing in te brengen wat hij in dat verband dienstig achtte. Gegeven deze eerder geboden mogelijkheden, die de gemachtigde kennelijk om hem moverende redenen ongebruikt heeft laten passeren, kon de kantonrechter, na terugwijzing van de zaak, volstaan met het stellen van een termijn om alsnog het volledige bedrag van de zekerheidstelling te voldoen. Nu er niet (tijdig) zekerheid is gesteld, heeft de kantonrechter het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
8. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.