ECLI:NL:GHARL:2020:603

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 januari 2020
Publicatiedatum
23 januari 2020
Zaaknummer
Wahv 200.256.773/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen dwangsom na tijdige verlenging beslistermijn in administratief beroep Wahv

In deze zaak ging het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) over de vraag of de officier van justitie tijdig de beslistermijn had verlengd met een verdagingsbrief van 15 november 2016. Het hof nam het tussenarrest van 24 oktober 2019 over en vroeg nadere informatie over de verzending van de brief.

De advocaat-generaal verklaarde dat sinds 2012 de verdagingsbrieven geautomatiseerd via een bulkprinter worden verstuurd, maar dat handmatige verzending nog mogelijk is. De overgelegde registratie toonde aan dat in deze zaak de brief geautomatiseerd was aangemaakt en verzonden. Het hof oordeelde dat bij deze werkwijze de kans op fouten nagenoeg is uitgesloten en achtte aannemelijk dat de brief daadwerkelijk is verzonden.

Hierdoor stelde het hof vast dat de officier van justitie tijdig de beslistermijn had verlengd en dus geen dwangsom verschuldigd was. De beslissing van de kantonrechter werd bevestigd, maar met verbeterde gronden. Tevens werden proceskosten van €656,25 aan de advocaat-generaal opgelegd. Het hoger beroep was niet-ontvankelijk voor zover het gericht was tegen de beslissing over de inleidende beschikking.

Uitkomst: De officier van justitie heeft tijdig de beslistermijn verlengd met een geautomatiseerde verdagingsbrief, waardoor geen dwangsom verschuldigd is en het hoger beroep deels niet-ontvankelijk is verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.256.773/01
CJIB-nummer
: 198166498
Uitspraak d.d.
: 23 januari 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 13 maart 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 24 oktober 2019 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Op 13 november 2019 is aanvullende informatie ontvangen van de advocaat-generaal.
De gemachtigde van de betrokkene heeft hierop schriftelijk een reactie gegeven.

Beoordeling

1. In voormeld tussenarrest heeft het hof overwogen dat het zich onvoldoende voorgelicht acht over de vraag of voldoende aannemelijk is gemaakt dat de verdagingsbrief d.d. 15 november 2016 is verzonden en heeft daarom de advocaat-generaal verzocht om daarover nadere informatie te verstrekken.
2. In zijn reactie op het tussenarrest stelt de advocaat-generaal dat sinds 1 maart 2012 de huidige Procesbeschrijving bij het parket CVOM wordt gehanteerd en dat hierin het versturen van de verdagingsbrief niet meer wordt beschreven, omdat dit toen al niet meer handmatig gebeurde. Reeds vóór 1 maart 2012 is gestart met het versturen van de verdagingsbrief via de bulkprinter. Sindsdien wordt de brief “Verlenging Beslistermijn Bulk” geautomatiseerd aangemaakt en via de bulkprinter verstuurd. De brief “Verlenging Beslistermijn Bulk” kan alleen door het systeem worden aangemaakt en niet door een medewerker. Dit gebeurt dagelijks na 22:00 uur. De brief wordt vervolgens automatisch verzonden naar de bulkprinter. Een verdagingsbrief kan ook nog steeds handmatig worden aangemaakt door een medewerker. De brief “Verlenging Beslistermijn” wordt dan handmatig geprint (via een printer op de afdeling). Van de verzending van deze brieven wordt een aparte verzendadministratie bijgehouden. In het registratiesysteem van het parket CVOM is aan de naam van het document te zien of een verdagingsbrief handmatig dan wel via de bulkprinter is verzonden.
De advocaat-generaal heeft als bijlage bij zijn reactie een uitdraai uit dit registratiesysteem gevoegd, waarop is te zien dat in het onderhavige geval sprake is van de brief “Verlenging Beslistermijn Bulk” met als opslagdatum “15-11-2016 22:05”.
3. Op grond van de door de advocaat-generaal overgelegde informatie kan - anders dan eerder is geoordeeld met betrekking tot de zekerheidsbrieven - niet worden geoordeeld dat de verzending van elke verdagingsbrief door het parket CVOM aannemelijk kan worden geacht op basis van de gehanteerde vaste werkwijze, nu deze brieven ook nog steeds handmatig door medewerkers kunnen worden aangemaakt. Dit brengt mee dat in elke zaak afzonderlijk aannemelijk zal moeten worden gemaakt dat de desbetreffende verdagingsbrief is verzonden, indien de ontvangst daarvan wordt betwist.
4. Aan de hand van de in de onderhavige zaak door de advocaat-generaal overgelegde uitdraai stelt het hof vast dat de verdagingsbrief d.d. 15 november 2016 geautomatiseerd is aangemaakt en via de bulkprinter is verzonden. In het arrest van het hof van 28 januari 2013 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2013:BZ1110) is geoordeeld dat bij deze werkwijze de kans op fouten nagenoeg is uitgesloten en mag worden aangenomen dat de via die werkwijze verzonden brieven daadwerkelijk zijn verzonden. Aldus acht het hof aannemelijk dat de onderhavige verdagingsbrief is verzonden. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de officier van justitie in dit geval de beslistermijn tijdig heeft verlengd. Dit brengt mee dat de officier van justitie tijdig op het administratief beroep heeft beslist en geen dwangsom is verschuldigd.
5. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is geoordeeld dat geen dwangsom is verschuldigd, dan ook bevestigen. Het hof zal daarbij wel de gronden van die beslissing verbeteren, nu de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de beslistermijn op 21 november 2016 was verstreken en de ingebrekestelling d.d. 18 november 2016 daardoor prematuur was.
6. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het hoger beroepschrift en de nadere toelichting dienen in totaal 2,5 procespunten te worden toegekend (voor de fase van het beroep bij de kantonrechter heeft de kantonrechter reeds een proceskostenvergoeding toegekend). De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 656,25.
7. Nu de advocaat-generaal heeft besloten de inleidende beschikking te vernietigen, heeft de betrokkene geen belang meer bij een uitspraak van het hof op het hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de beslissing van de kantonrechter om het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond te verklaren, zodat het hoger beroep in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is geoordeeld dat geen dwangsom is verschuldigd, met verbetering van gronden;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 656,25;
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk, voor zover dit is gericht tegen de beslissing van de kantonrechter om het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond te verklaren.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.