ECLI:NL:GHARL:2020:6031

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 juli 2020
Publicatiedatum
29 juli 2020
Zaaknummer
Wahv 200.238.411
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 RVV 1990Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie bromfietser wegens rijden op fietspad zonder verplicht fiets/bromfietspad

De betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd met een boete van €95 wegens het rijden op een fietspad met een bromfiets, terwijl volgens het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) het gebruik van de rijbaan verplicht is indien een fiets/bromfietspad ontbreekt.

De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond, maar het gerechtshof stelde vast dat de officier van justitie in het administratief beroep de feitcode en omschrijving van de gedraging wijzigde, waardoor betrokkene in het gelijk werd gesteld. Dit rechtvaardigt een proceskostenvergoeding voor de fase van het administratief beroep.

Het hof vernietigde het deel van het vonnis van de kantonrechter dat de proceskostenvergoeding betrof en wees een vergoeding van €262,50 toe. Het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep werd afgewezen omdat betrokkene daarin niet in het gelijk werd gesteld.

De zaak draaide om de uitleg van artikel 6 RVV Pro 1990 en de vraag of de betrokkene terecht op het fietspad reed. Het hof oordeelde dat het bord G11 een verplicht fietspad aanduidt, niet een verplicht fiets/bromfietspad, waardoor de overtreding vaststaat.

Het arrest werd gewezen door mr. De Witt en uitgesproken te Leeuwarden op 29 juli 2020.

Uitkomst: Het gerechtshof kent een proceskostenvergoeding van €262,50 toe voor het administratief beroep en vernietigt het vonnis van de kantonrechter voor zover het de proceskosten betreft.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.238.411/01
CJIB-nummer
: 206870543
Uitspraak d.d.
: 29 juli 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 27 maart 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “als (snor)fietser bij ontbreken (verpl.) (brom) fietspad niet de rijbaan gebruiken (R309)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 april 2017 om 17.56 uur op de Vreeswijkstraat te ‘s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [YYY-00-Y] .
2. De officier van justitie heeft de feitcode gewijzigd in R311 en de omschrijving van de gedraging in “als bromfietser bij ontbreken fiets/brom fietspad niet de rijbaan gebruiken”.
3. De gemachtigde van de betrokkene heeft aangevoerd dat in de onderhavige zaak geen ambtsedige verklaring ten grondslag ligt aan de sanctie. De verklaring die is opgenomen in het zaakoverzicht kan niet als zodanig worden aangemerkt, zodat daaraan geen bijzondere bewijskracht toekomt. Nu de gedraging door de betrokkene wordt betwist, kan op basis van de beschikbare stukken niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Dit verweer treft geen doel. De Wahv stelt niet de eis dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve sanctie een ambtsedige verklaring ten grondslag ligt. De vaststelling dat een gedraging is verricht kan ook worden gebaseerd op de gegevens in het zaakoverzicht.
4. Voorts stelt de gemachtigde dat uit de verklaring van de ambtenaar volgt dat de betrokkene ten onrechte gebruik heeft gemaakt van het fietspad. Dit strookt niet met feitcode R311: “als bromfietser bij ontbreken fiets/brom fietspad niet de rijbaan gebruiken”, aangezien er juist wel een fiets/brom fietspad was.
5. De bij feitcode R311 behorende gedraging is een overtreding van het tweede lid van artikel 6 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).
Artikel 6 van Pro het RVV 1990 luidt - voor zover relevant - als volgt:
“1. Bromfietsers gebruiken het fiets/bromfietspad.
2. Zij gebruiken de rijbaan indien een fiets/bromfietspad ontbreekt.”
6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Betrokkene reed met bromfiets over het fietspad (binnen de bebouwde kom). Ik zag dat betrokkene met betrokken voertuig vanaf het Soestdijkseplein te Den Haag via het fietspad over de brug in de richting van de Vreeswijkstraat reed. Ik zag dat de bestuurder hier op het fietspad bleef rijden. Fietspad voor een ieder duidelijk aangegeven met bord G11. (…)
Verklaring betrokkene: ik rij normaal nooit op het fietspad.”
7. Uit de verklaring van de ambtenaar volgt dat de betrokkene met een bromfiets op een fietspad reed. Dit ontkent de betrokkene op zichzelf ook niet. Voor zover de gemachtigde heeft gemeend dat de betrokkene hier terecht reed, merkt het hof op dat een bord G11 een verplicht fietspad aangeeft en niet een verplicht fiets /bromfietspad. De betrokkene had moeten begrijpen dat het hem gelet op het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van het RVV 1990 niet was toegestaan daar met zijn bromfiets te rijden. Nu vast staat dat de betrokkene op het fietspad reed, kan de gedraging worden vastgesteld.
8. De gemachtigde heeft verder in hoger beroep aangevoerd dat er voor de fase van het administratief beroep een proceskostenvergoeding had moeten worden toegekend. De kantonrechter heeft dit miskend.
9. Het hof stelt vast dat de officier van justitie, beslissende op het administratief beroep, de omschrijving van de gedraging en de feitcode heeft gewijzigd. Dit betekent dat de betrokkene in het gelijk is gesteld, zoals bedoeld in het arrest van het hof van 28 april 2020 (gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336). Dit brengt mee dat aanleiding bestond tot het toekennen van een proceskostenvergoeding in administratief beroep.
10. De beslissing van de kantonrechter wordt in zoverre dan ook vernietigd. Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie wordt gegrond verklaard en die beslissing wordt vernietigd, voor zover daarbij het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
11. Het hof zal een vergoeding toekennen voor de proceskosten in administratief beroep. Aan het indienen van het administratief beroepschrift zal een punt worden toegekend. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 toegepast (het gewicht van de zaak is licht). De waarde per punt bedraagt € 525,-. De proceskostenvergoeding in administratief beroep komt daarmee op
(1 x € 525,-x 0,5 =) € 262,50.
12. Nu de betrokkene in hoger beroep niet in het gelijk is gesteld, zal dat verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het in overweging 9 genoemde arrest).
13. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij geen proceskostenvergoeding is toegekend voor de fase van het administratief beroep;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene in administratief beroep ter hoogte van € 262,50;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;
wijst het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.