De betrokkene stelde beroep in tegen een bestuursrechtelijke sanctiebeschikking op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De kantonrechter vernietigde de beslissing van de officier van justitie wegens schending van de hoorplicht, maar verklaarde het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingediend.
In hoger beroep betoogde de gemachtigde dat de beroepstermijn niet was aangevangen omdat de beschikking niet juist was bekendgemaakt en dat het vertrouwensbeginsel van toepassing was vanwege het beleid van het CJIB om bij telefonisch contact een nieuwe beschikking toe te zenden met een nieuwe beroepstermijn. Het hof constateerde een motiveringsgebrek bij de kantonrechter omdat deze niet op deze gronden was ingegaan.
Het hof stelde vast dat de beschikking op 1 oktober 2016 was verzonden en de beroepstermijn op 12 november 2016 eindigde. Het beroepschrift was pas op 29 juni 2017 ontvangen, dus te laat. De enkele stelling dat de beschikking niet was ontvangen was onvoldoende om de ontvangst te betwisten. Het interne CJIB-beleid om in bepaalde gevallen een nieuwe beschikking te sturen leidt niet tot een nieuwe beroepstermijn.
Daarom is het te laat instellen van het beroep de betrokkene toe te rekenen en is het beroep niet-ontvankelijk. Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.