ECLI:NL:GHARL:2020:6210

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 augustus 2020
Publicatiedatum
6 augustus 2020
Zaaknummer
Wahv 200.238.588
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WahvArt. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens te laat ingesteld beroep tegen bestuursrechtelijke sanctiebeschikking

De betrokkene stelde beroep in tegen een bestuursrechtelijke sanctiebeschikking op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De kantonrechter vernietigde de beslissing van de officier van justitie wegens schending van de hoorplicht, maar verklaarde het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingediend.

In hoger beroep betoogde de gemachtigde dat de beroepstermijn niet was aangevangen omdat de beschikking niet juist was bekendgemaakt en dat het vertrouwensbeginsel van toepassing was vanwege het beleid van het CJIB om bij telefonisch contact een nieuwe beschikking toe te zenden met een nieuwe beroepstermijn. Het hof constateerde een motiveringsgebrek bij de kantonrechter omdat deze niet op deze gronden was ingegaan.

Het hof stelde vast dat de beschikking op 1 oktober 2016 was verzonden en de beroepstermijn op 12 november 2016 eindigde. Het beroepschrift was pas op 29 juni 2017 ontvangen, dus te laat. De enkele stelling dat de beschikking niet was ontvangen was onvoldoende om de ontvangst te betwisten. Het interne CJIB-beleid om in bepaalde gevallen een nieuwe beschikking te sturen leidt niet tot een nieuwe beroepstermijn.

Daarom is het te laat instellen van het beroep de betrokkene toe te rekenen en is het beroep niet-ontvankelijk. Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te laat ingesteld beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.238.588/01
CJIB-nummer
: 201608734
Uitspraak d.d.
: 6 augustus 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 februari 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking
niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 125,25.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie vernietigd vanwege schending van de hoorplicht en geoordeeld dat het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk is, omdat het te laat is ingesteld.
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt in hoger beroep dat bij de kantonrechter onderbouwd is aangevoerd dat de termijn voor het aanwenden van rechtsmiddelen niet is aangevangen, omdat de inleidende beschikking niet op de juiste wijze bekend is gemaakt. Daarnaast is een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel vanwege de wijze waarop het CJIB verhogingen van de sanctie terugdraait en een nieuwe beschikking toezendt met een nieuwe beroepstermijn. De kantonrechter is aan deze gronden voorbij gegaan, zodat sprake is van een motiveringsgebrek.
3. Het hof stelt vast dat de gemachtigde bij brief van 22 januari 2018 heeft aangevoerd dat de betrokkene geen beschikking heeft ontvangen, maar direct is geconfronteerd met een verhoging. Daarom is de beroepstermijn niet aangevangen en kan de betrokkene worden ontvangen in zijn beroep. Bovendien blijkt uit de overgelegde werkbeschrijving van het CJIB dat wanneer een betrokkene telefonisch contact opneemt met het CJIB en aangeeft dat hij de beschikking niet heeft ontvangen, verhogingen direct worden teruggedraaid en een nieuwe beroepstermijn wordt verleend. Gelet op dit beleid, waaraan de betrokkene vertrouwen mag ontlenen, is het door de betrokkene ingestelde beroep volgens de gemachtigde ontvankelijk.
4. De kantonrechter is niet ingegaan op deze gronden. In zoverre is sprake van een motiveringsgebrek.
5. Tegen de inleidende beschikking kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beschikking aan de betrokkene is toegestuurd.
6. De inleidende beschikking is op 1 oktober 2016 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 12 november 2016. Het beroepschrift is gedateerd 28 juni 2017. Uit een stempel blijkt dat het op 29 juni 2017 door de officier van justitie is ontvangen.
7. Het is vaste rechtspraak dat het bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat een beslissing is verstuurd. Dat is van belang voor de vraag wanneer de beroepstermijn start. Als dat aannemelijk is gemaakt en de geadresseerde heeft niet tijdig beroep ingesteld, dan kan aan de orde komen of de overschrijding van de beroepstermijn aan de geadresseerde kan worden toegerekend. Het is dan aan de geadresseerde om op een niet ongeloofwaardige manier te betwisten dat de beslissing is ontvangen. Slaagt dat, dan is het aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het document wel is ontvangen.
8. In het zaakoverzicht staat dat de inleidende beschikking op 1 oktober 2016 aan de betrokkene is toegestuurd. Het CJIB verzorgt de verzending. In het arrest van 23 december 2009 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHLEE:2009:BP3020) heeft het hof vastgesteld dat het verzendproces zo is ingericht, dat de kans op fouten vrijwel is uitgesloten. Daarom mag op basis van het zaakoverzicht worden aangenomen dat de beschikking daadwerkelijk op 1 oktober 2016 is verstuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 12 november 2016. Het beroepschrift is gedateerd
28 juni 2017. Uit een stempel blijkt dat het op 29 juni 2017 door de officier van justitie is ontvangen. Het beroep is dan ook niet tijdig ingesteld.
9. Artikel 6:11 van Pro de Awb bepaalt – kort gezegd – dat een te laat ingesteld beroep tóch ontvankelijk kan zijn, wanneer het de betrokkene niet kan worden toegerekend dat te laat beroep is ingesteld.
10. De enkele stelling dat de betrokkene de inleidende beschikking niet heeft ontvangen, is onvoldoende om de ontvangst daarvan te weerleggen. Uit de stukken blijkt ook niet dat de beschikking als onbestelbaar retour is gekomen. Het verweer faalt in zoverre.
11. De gemachtigde heeft een werkbeschrijving van het CJIB overgelegd, die niet gedateerd is en kennelijk bedoeld is voor intern gebruik. Volgens deze werkbeschrijving wordt in bepaalde gevallen aan een betrokkene een nieuwe beschikking toegestuurd wanneer hij naar aanleiding van de ontvangst van de eerste aanmaning telefonisch contact opneemt met het CJIB en aangeeft dat hij de beschikking nooit heeft ontvangen. Nog daargelaten dat de betrokkene aan een kennelijk voor intern gebruik bedoelde werkbeschrijving van het CJIB niet het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat de officier van justitie zijn beroepschrift ontvankelijk zou achten, alsmede de omstandigheid dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene de beschikking niet heeft ontvangen, leidt het opnieuw verzenden van een beschikking waarvan de eerdere verzending is vastgesteld niet tot het opnieuw aanvangen van de beroepstermijn.
12. Wat wordt aangevoerd maakt dus niet dat het te laat instellen van beroep de betrokkene niet kan worden toegerekend. De kantonrechter heeft het beroep tegen de inleidende beschikking dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dit brengt mee dat de bezwaren van de betrokkene tegen de opgelegde sanctie niet kunnen worden behandeld en dat het hof de beslissing van de kantonrechter, gelet op het onder 3. vastgestelde motiveringsgebrek, zal bevestigen met verbetering van gronden.
13. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden;
wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.