ECLI:NL:GHARL:2020:6359

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 augustus 2020
Publicatiedatum
13 augustus 2020
Zaaknummer
21-003698-18
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a SrArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis medeplegen oplichting met deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf

In deze zaak stond verdachte terecht voor medeplegen van oplichting. De rechtbank Noord-Nederland had verdachte reeds veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Verdachte stelde hoger beroep in tegen dit vonnis. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de zaak behandeld op zittingen van 23 september 2019, 16 januari 2020 en 28 juli 2020. Zowel de vordering van de advocaat-generaal als de verweren van verdachte en zijn raadsman zijn door het hof zorgvuldig overwogen.

Het hof oordeelde dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld en bevestigde het vonnis. Het verzoek van de verdediging om toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, dat betrekking heeft op de mogelijkheid van een taakstraf in plaats van gevangenisstraf, werd afgewezen vanwege de ernst van het feit. De oplegging van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf werd als de enige passende afdoening beschouwd.

Het arrest werd op 11 augustus 2020 uitgesproken door de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarbij mr. L.T. Wemes voorzitter was, samen met mr. W. Foppen en mr. M. van der Horst als raadsheren.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003698-18
Uitspraak d.d.: 11 augustus 2020
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 21 juni 2018 met parketnummer 19-830262-10 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 23 september 2019, 16 januari 2020 en 28 juli 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan tien voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. A.C. Vingerling, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 21 juni 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde, te weten het medeplegen van oplichting, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De verweren die in hoger beroep zijn gevoerd, zijn in de kern gelijk aan die in eerste aanleg naar voren zijn gebracht. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op die verweren maar ook op de overige rechtsvragen op juiste gronden heeft beslist. Het hof zal het vonnis dan ook met overneming van die gronden bevestigen met als korte aanvulling dat - zoals de rechtbank impliciet heeft gedaan – het verzoek van de verdediging om toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt afgewezen vanwege de omstandigheid dat, gelet op de ernst van het feit, de oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende wijze van afdoening is.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Aldus gewezen door
mr. L.T. Wemes, voorzitter,
mr. W. Foppen en mr. M. van der Horst, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. D. de Jong, griffier,
en op 11 augustus 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. L.T. Wemes is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.