ECLI:NL:GHARL:2020:6412

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 augustus 2020
Publicatiedatum
17 augustus 2020
Zaaknummer
Wahv 200.262.959/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor negeren geslotenverklaring ondanks beroep op overmacht

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het negeren van een geslotenverklaring op de N484 in Leerdam met een landbouwvoertuig. Hij erkende de overtreding maar voerde aan dat het volgen van de alternatieve route onveilig zou zijn vanwege de breedte van zijn voertuig en de aanwezigheid van wandelaars en fietsers.

Het hof oordeelde dat de overtreding vaststond en dat het beroep op overmacht niet slaagde omdat niet was aangetoond dat er geen veilige alternatieve route beschikbaar was. Het beroep op artikel 6 van Pro het Handvest, dat recht op vrijheid en veiligheid waarborgt, werd niet verder besproken omdat de betrokkene niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet anders kon handelen.

Daarom werd de sanctie van €95,- gehandhaafd en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. De beslissing van de kantonrechter werd bevestigd.

Uitkomst: De sanctie voor het negeren van de geslotenverklaring wordt bevestigd; het beroep op overmacht wordt verworpen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.262.959/01
CJIB-nummer
: 221352166
Uitspraak d.d.
: 17 augustus 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 27 mei 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “Handelen in strijd met een geslotenverklaring: bord C9”. Deze gedraging zou zijn verricht op 10 november 2018 om 13:35 uur op de N484 in Leerdam met een landbouwvoertuig.
2. De betrokkene ontkent de verweten gedraging niet, maar voert aan dat het negeren van de geslotenverklaring, het volgen van de hoofdrijbaan van de N484, de veiligste manier is om met zijn landbouwvoertuig zijn bestemming te bereiken. Indien de betrokkene de voor landbouwvoertuigen openstaande onderrijbaan zou hebben gevolgd, zou hij in verband met de breedte van zijn voertuig, wandelaars, fietsers en bestuurders van invalidevoertuigen in gevaar hebben gebracht. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de betrokkene enkele afdrukken van Google Maps overgelegd waarop de situatie ter plaatse te zien is. De betrokkene wijst op artikel 6 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) waarin is bepaald: ‘Eenieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon.’
3. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging niet ontkent, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Gelet op het gevoerde verweer dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten.
4. Het verweer van de betrokkene moet worden opgevat als een beroep op overmacht. Een geslaagd beroep op overmacht kan leiden tot het oordeel dat de gedraging is verricht onder zodanige omstandigheden dat de sanctie achterwege zou moeten blijven. Aan een dergelijk beroep dient ten minste de eis te worden gesteld dat feiten en omstandigheden worden aangevoerd op grond waarvan aannemelijk kan worden dat de bestuurder onder de gegeven omstandigheden niet anders heeft kunnen handelen dan hij heeft gedaan. Aan dit vereiste is in het onderhavige geval reeds hierom niet voldaan nu de betrokkene niet heeft gesteld dat hij zijn bestemming niet via een andere wel voor het voertuig van de betrokkene openstaande weg kon bereiken dan via de onderrijbaan van de N484. Dit betekent dat het verweer van de betrokkene dat het rijden over deze onderrijbaan tot een onveilige situatie zou leiden die in strijd komt met artikel 6 van Pro het Handvest, geen bespreking behoeft.
5. Gelet op het voorgaande is aan de betrokkene terecht een sanctie opgelegd voor de onder 1. omschreven gedraging. De kantonrechter heeft dan ook terecht en op goede gronden geoordeeld dat het beroep ongegrond is. De beslissing van de kantonrechter zal daarom worden bevestigd.
6. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.