Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verder te noemen: de rechthebbende.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak in hoger beroep staat de vraag centraal of een uitkering wegens brandschade gedeeltelijk moet worden betrokken in een schuldenregeling van de onderbewindgestelde. De kantonrechter had een machtiging verleend waarbij slechts een deel van het schadebedrag van € 12.807,25 werd uitgekeerd aan de onderbewindgestelde, terwijl het resterende bedrag moest worden betrokken in de schuldenregeling. De bewindvoerder en de onderbewindgestelde stelden dat deze beslissing onvoldoende was gemotiveerd en onredelijk was, omdat het bedrag van € 6.000,- onvoldoende was om de woning leefbaar te maken en de situatie te herstellen.
Het hof oordeelt dat de beslissing van de kantonrechter niet gemotiveerd is en vernietigt deze. Het hof benadrukt dat het doel van beschermingsbewind is om de vermogensrechtelijke belangen van de onderbewindgestelde te beschermen, waaronder het vermijden van schulden. Echter, het hof stelt dat het indemniteitsbeginsel inhoudt dat de schade-uitkering bedoeld is om de toestand van vóór de brand te herstellen en dat dit recht niet mag worden beperkt door belangen van schuldeisers. Het begrip vervangingswaarde wordt gelijkgesteld aan dagwaarde, waardoor geen sprake is van overcompensatie.
Daarom beslist het hof dat de gehele schade-uitkering, minus het bedrag dat aan derden moet worden betaald, aan de onderbewindgestelde moet worden uitgekeerd. Dit stelt hem in staat zijn situatie te herstellen zonder dat schuldeisers onredelijk worden bevoordeeld. De machtiging van de kantonrechter wordt vernietigd en de bewindvoerder krijgt toestemming het volledige bedrag over te maken, onder inhouding van een bedrag voor derden.
Uitkomst: De volledige schade-uitkering wegens brandschade wordt uitgekeerd aan de onderbewindgestelde, niet deels betrokken in de schuldenregeling.